NATIONALISME: Theorieën – de Verschiltheorie

Inleiding

In een vorig artikel bespraken we de evolutie in vertoog van 1830 tot heden. Dat België van een unitaire Staat kon omgevormd worden tot een soort hybride Statenbond kon enkel gebeuren door een verschuiving in gangbaar discours. Flamingantisme [1] en Belgisch-nationalisme liepen tot 1914 parallel, en begonnen sedertdien te divergeren. Het francofoon en het Waals-nationalisme voedden deze beweging. Na 1960 werd die tendens zeer ostentatief, waardoor de idee van de kunstmatige tweeledigheid van België overging van een gedachte naar een politieke realiteit [2] . Zoals eerder aangehaald ondersteunen enkel theoretische denkbeelden het huidige gangbare politieke gedachtengoed: de verschiltheorie ( cultureel en socio-economisch ), de bipolaire theorie (België samengesteld uit slechts een “Vlaanderen” en een “Wallonië”), de theorie der cultuurhomogene staten (taalgrens moet staatsgrens worden) en, tenslotte, de soevereiniteitsidee (de staat of deelstaat primeert boven de burgers). In dit artikel wordt de verschiltheorie nader bekeken, en dan meer specifiek in haar toepassing op het Belgische politieke model.

Het verschil als politiek criterium

De mens vertoont van nature de inherente tweeledigheid. Enerzijds is er een enorme verbondenheid tussen alle aardbewoners. Omdat we allen leden zijn van het menselijk ras, beschikt ieder van ons over een weet-, leed-, vergeet-, en vergevingsvermogen. De meest nobele menselijke deugden vloeien voort uit het feit dat we in het lijden van de andere, ook al is hij een onbekende, ons eigen lijden kunnen (h)erkennen. De notie van een monotheïstisch Godsgeloof geeft bovendien een, terechte, spirituele dimensie aan dit alles. Omdat God de bron van ultieme barmhartigheid is, vinden velen in Hem de kracht om hun kleine menszijn in grote menselijkheid om te zetten [3] . Anderzijds is de mens onherroepelijk gebonden aan een groep, of hij het nu wil of niet. Religie, moedertaal, etnie, ras… zijn onontkoombare persoonsgebonden criteria . Hier rijst meteen de dramatische dychotomie: hoewel we allemaal weten dat we mensen zijn, zien we vaak in de eerste plaats aan onze horizon enkel de groep waartoe we zelf behoren of deel van wensen uit te maken.

En omdat nu eenmaal slechts een infiem deel van de mensen over de persoonlijke grootsheid beschikt om zich als kosmopoliet te gedragen – dit is in het respect van zijn eigenheid geen beroep doen op politieke agitatiemiddelen om zijn “stamverband” te verdedigen [4] kan nationalisme bestaan. Positief gezien immers houdt nationalisme de identificatie met een grotere groep lotsgenoten in, negatief betreft zij de ontkenning en verwerping van hetgeen anders is [5] . Deze twee noties zijn voor elk nationalisme onverbrekelijk verbonden. Het on-eigene (bijvoorbeeld: een andere taalgroep) wordt op die manier bekeken dat het het eigene verheft. Een goed nationalist verheft zichzelf door de vernedering van de anderen. De Noord-Italiaan kan zijn identiteit halen uit de “vaststelling” dat de Italianen bezuiden Rome dieven en parvenus zijn. De Fransman kan zijn volksgeest trachten te gronden in de zogenaamde wetenschap dat zijn cultuur briljant of superieur is (positieve identificatie), maar ook dat de vruchten van het Duits, Brits enz. patrimonium inferieur zijn (negatieve identificatie). Cruciaal is te weten dat men pas van nationalistische activiteit kan spreken wanneer verschillen tussen groepen van mensen een politiek identificatie- en/of scheidingscriterium worden. Dat wil zeggen wanneer men omwille van een eigenschap van de ene groep (Serviërs zijn orthodox) eigen prerogatieven (parlementen, partijen, vakbonden, territorium…) gaat eisen die men aan de andere groep (katholieke Kroaten) ontkent. In die zin is de nationalistische politieke agitatie de materiële vertaling van de geestelijke opvatting die men heeft over het zelfbeeld van zijn groep.

De Belgische situatie

Vele mensen hebben nood aan een simpele, voor de hand liggende, identificatiedrang en aan verbondenheid . Geen andere ideologie dan het nationalisme kan hem die zo snel en zo eenvoudig geven. Hierbij valt de bedenking te maken of in de toekomst mensen zich niet veel meer verbonden zullen voelen met andere entiteiten of bevolkingsgroepen dan de eigen, net omdat de snelle verspreiding van informatie (electronica) geestelijk gezien de landsgrenzen, de taalgrenzen, de religieuze grenzen enz. kan doen vervagen. Maar vooralsnog is er een sterke identificatie met de eigen groep als dominante factor. Hoewel nationalisme de laatste 200 jaar een determinerende kracht in de wereldgeschiedenis is, is in België toch iets vreemds vast te stellen. Het nationalistisch probleem in België is een zuiver politiek probleem, dat geen of nauwelijks een maatschappelijk draagvlak heeft. De eis tot het opdoeken van de Belgische staat is geen wens van de bevolking, wel van de politieke klasse. Het is geen realiteit, maar wel een politieke realiteit.

Overigens was er in Tsjechoslovakije in 1992 volgens peilingen ook maar 13% voor een splitsing. De Joegoslavische burgeroorlog werd eveneens veroorzaakt door kleine facties, niet door de meerderheid van de bevolking.

Hierboven definieerden we het verschil als een politiek criterium. Dit valt niet mis te verstaan. Indien politici “vaststellen” dat ze van mekaar verschillen en dat die verschillen bepaald worden door geografische gebondenheid, spreken we van een politiek scheidingscriterium in een politieke realiteit [6] .

Het probleem is misschien meer nog de structurele dynamiek die politici veroorzaken [7] . Voor de oorlog pleitten in Joegoslavië Servische en Kroatische nationalisten voor meer “responsabilisering”, “autonomie”, “homogene bevoegdheidspaketten” [8] . In België ligt een splitsing van de sociale zekerheid in de (perverse) logica van de staatshervormingen. Zwitserland kan, daarentegen, door haar indeling, makkelijker aan centrifugale krachten weerstaan. Het samenspel van een beroep op identificatiedrang , van schijnbaar logische denkbeelden (“Vlamingen spreken dezelfde taal, dus ze moeten een eigen parlement hebben”, “beter bestuur ligt dichter bij de burger dus bij de gewesten”), van structurele grondbeginselen (indeling van een staat in taalgebieden met eigen organen) maken de opkomst en het doorlopend succes van nationalisme veel makkelijker. Dan zwijgen we nog over  totale controle over instrumenten die de publieke opinie dicteren (media). Er is ook nog de groepsdruk . De meeste Belgen zijn geen separatist. Maar tien separatisten kunnen 90 anderen beïnvloeden door zich te beroepen op onaanvechtbare waarheden . Inderdaad, we spreken “allemaal” Nederlands ( een bestendig criterium waarmee het moeiteloos is om zich te zich te identificeren ). Als die onbetwistbare “waarheid” echter geruisloos een politiek scheidingscriterium wordt is het kwaad al geschied.

Aanvang van de verschiltheorie

De nationalistische samenleving begint niet wanneer men verschillen vaststelt. Ze begint zelfs niet wanneer men deze verschillen identificeert met een territorium. Ze vangt aan wanneer men de sociale, economische, culturele, maar bovenal politiek structuur van territorium alfa zo divergerend vindt van die van territorium beta dat daarom de twee entiteiten anders behandeld moeten worden.

Men mag in dit alles nooit vergeten dat elke ideologie als doel heeft de anderen te marginaliseren, te overwinnen. Bij verkiezingen accepteert men het bestaan van anderen. Liberalen hebben nood aan debat met socialisten, ecologisten etc om zelf te kunnen bestaan, om zichzelf te definiëren en te positioneren. Maar nationalisten beroepen zich op het gezag van iets ondefinieerbaar, het eigene, het niet-andere, niet alleen om de anderen te overwinnen bij verkiezingen maar om uiteindelijk alle andere ideologieën zoniet te vernietigen (Hitler, Mussolini…), dan wel ondergeschikt te maken aan hun eigen ideologie. Dat is wat in België met de splitsing der partijen gebeurd is. En welke Fransman zal openlijk betwisten dat Frankrijk belangrijker is dan rechtvaardigheid of wereldvrede? Dat geeft de schijn je eigen “familie” een dolkstoot te geven, psyschologisch toch, en wordt dus niet gedaan.

Een perspectiefverschuiving

Uit de nationalistische verschiltheorie vloeit overigens ook een perspectiefverschuiving voort. Mensen doden, roven, begaan gruweldaden in naam van hun natie; ze kunnen het ongestraft doen. De natie wordt hier gebruikt in de zin van een territoriale eenheid die alle zogenaamde gelijkenissen bundelt. Een misdadiger op persoonlijk niveau niet, want er is de wet. Maar er is geen wereldrechtsorde. Deze wettiging van het onwettelijke is een dieperliggende drijfveer achter het succes van nationalisme. Pleit een politicus voor het splitsen van de sociale zekerheid tussen de provincies, lacht iedereen hem uit, is hij een machtswellusteling en een egoïst. Indien hij pleit voor een communautarisering ervan, is hij een eerbaar man. Vergelijk dit met wat men zegt “wie een brood steelt is een dief, wie miljoenen rooft, een Koning”. Politici kunnen hierdoor makkelijk hun geweten witwassen. Wanneer bijvoorbeeld wapenhandel geregionaliseerd wordt, hoeven Nederlandstalige politici zich niet langer verantwoordelijk te voelen voor de export van Waalse wapens. Wanneer de sociale verzekering gesplitst wordt, volgt hieruit een sociale catastrofe in het Zuiden, maar wordt het Noorden nog rijker. Als een misdrijf zo groot wordt dat hij hele bevolkingsgroepen omvat is hij blijkbaar makkelijker om te begaan [9] .

Subtheorie 1: Culturele verschillen

De eerste component van de verschiltheorie is zuiver cultureel, maar – als dusdanig – niettemin drager van de rest van het hele nationalistische gedachtengoed. Bondig gezegd gaat ze er van uit dat (mentaliteits)verschillen tussen bevolkingsgroepen, of tussen hun politieke leiders zo groot zijn dat ze niet meer binnen één staat kunnen samenleven of –besturen.

Deze theorie blinkt uit door haar grotesk simplisme. Ze verdeelt de staat, in casu België, in twee onderscheiden – zogenaamd “natuurlijke”- delen: “Vlaanderen”/”Wallonië”. Alle andere verschillen in de maatschappij en in de staatsstructuur worden hier door nationalisten aan ondergeschikt gemaakt:

a) België bestaat namelijk Grondwettelijk uit drie Gewesten en drie Gemeenschappen, uit 10 provincies en uit een paar honderden steden. Tussen al deze entiteiten bestaan verschillen, toch wordt hier nooit over gesproken.

b) Er zijn overal in de maatschappij verschillen . Tussen stad en platteland, binnen taalgebieden, tussen mannen en vrouwen, ouderen en jongeren, arbeiders en werklozen, liberalen en socialisten enz. Ook hier wordt nooit naar verwezen.

c) Ook al zouden de verschillen tussen het Noorden en het Zuiden van België zo groot zijn als sommigen beweren , dan nog vormt dit geen reden tot splitsing. Integendeel, hoe groter de verschillen zijn, hoe méér (structurele) solidariteit er moet zijn, ten einde overal in het land voor minder sociale achterstand, minder armoede, meer rechtvaardigheid enz. te zorgen.

d) De Europese Unie is net opgericht, de Benelux overigens ook, omdat men verschillende staten wil harmoniseren, van Griekenland tot Duitsland [10] . Als verschillen een reden zijn tot splitsing, moeten we onmiddellijk de EU en de Verenigde Naties opdoeken.

e) Democratie heeft nood aan verschillen . Onoverbrugbare verschillen bestaan niet in een democratie. Enkel totalitaire staten weigeren in democratische nationale of federale parlementen om te gaan met verschillen. Door haar afwijzen van de dialoog in meertalige organen is het nationalisme in België fundamenteel anti-democratisch.

Dit reductionistisch onderscheid (alles wordt herleid tot taalverschillen) is volslagen irrationeel. Het verwaarloost de andere, vaak rijkere culturele verschillen. De steeds meer verweven samenlevingen binnen en tussen staten zijn net een vertrekpunt voor een kosmopolitisme dat de individuele vrijheid bevestigt. Montesquieu zegde dit reeds twee eeuwen geleden [11] . Willen we elkaar als mensen leren kennen, en niet alleen als leden van een taalgroep, moeten we minstens bereid zijn binnen een cultureel gedifferentieerde staat samen te leven. Taalverschillen vormen trouwens slechts een onderdeel van een uitermate complex sociologisch raderwerk.

Taalgebieden en cultuur vertonen maar een bijzonder relatieve congruentie. Cultuur vormt een grote pyramide met aan de top de menselijke beschavingscultuur die zich vertakt in een eindeloos gamma  van subculturen, zoals de Europese, maar ook  bijv. de Brabantse en de Limburgse. In elke (sub)cultuur zijn er bovendien dan nog eens evenwijdige en vervlochten strata in bepaalde sectoren, zoals de bedrijfscultuur of literatuur. Nationalisten gronden echter het totale politieke besluitvormingsproces op één deelaspect van een subcultuur, zoals taal. Dit denken vertaalt zich anamorf in de politieke besluitvormingsstructuren en in het gangbaar vertoog. Men beschouwt verschillen tussen willekeurige gebieden, zoals stad en platteland of tussen vermengde bevolkingsgroepen zoals mannen en vrouwen niet als een potentiële splijtzwam. De taalgebieden waarover men het wél heeft,  zijn echter geen dragers van economie of van andere ontalige bevoegdheden. Gewesten ontlenen dus, paradoxaal genoeg, hun macht aan een criterium waarmee de bevoegdheden die ze dragen geen voeling hebben.  Bovendien is de creatie van het Brussels, tweetalig Gewest en van de federale regering het levende bewijs van het feit dat de staatshervorming door haar inwerkingtreding al haar foutief paradigma (indeling in taalgebieden) toegaf. De Belgische (con)federalisten vinden  echter een werkloze uit bijvoorbeeld La Louvière niet te vergelijken met een werkloze uit pakweg Roeselare. Is een Antwerpse havenarbeider dan beter  te vergelijken met een werkloze in Hasselt?

Subtheorie 2: Socio-economische verschillen (“transfertheorie”)

De tweede subtheorie van de verschiltheorie breidt het culturele uit naar het sociaal-economische. In de zogenaamd tweeledige economische ruimte ontwikkelen zich, parallel met de mentaliteitsverschillen twee volledig verschillende maatschappijen met een fundamenteel andere economie. Deze economieën zijn, op zich beschouwd, homogeen en antagonistisch tegenover elkaar. De ene economie zuigt de andere uit.

Net als de eerste theorie is ook dit gedachtengoed ongelooflijk simplistisch en banaliserend. De hele samenleving, alle levende menselijke wezens worden omdat ze –zogezegd- fundamenteel cultureel verschillen in twee economische zones ingedeeld. De transfers vanuit het Vlaams Gewest naar het Zuiden zouden zo groot zijn dat ze neerkomen op een financiële plundering. Cynisch vermeldt men erbij dat ook “het Zuiden beter wordt van een regionalisering”. Alsof een drenkeling moet toegeroepen worden dat hij nu maar zwemles moet nemen… Enkele bedenkingen hierbij:

a) De transfers zijn niet zo groot , in Duitsland zijn ze drie keer zo groot (transfers van W-Duitsland naar ex-DDR, studie VBO).

b) er zijn ook enorme transfers van het Vlaams Gewest naar het Brussels Gewest (50% in de sociale zekerheid, studie KBC [12] ). En hoort Brussel niet bij Vlaanderen volgens separatisten?

c) er zijn overal en in alle landen transfers . Van Ile de France naar de Provence, van Noord-Italië naar het armere Zuiden, binnen de EU etc.

d) Er zijn ook binnen het Vlaams Gewest transfers , van Antwerpen naar de armere Westhoek bijvoorbeeld. Moet Antwerpen nu ook de solidariteit opschorten? En wat met transfers van mannen naar vrouwen, van jongeren naar gepensioneerden enz.? Er is bovendien een terugverdieneffect. Hoe beter het gaat met het Zuiden, hoe meer het Noorden van België een afzetmarkt vinden kan voor haar goederen. Vandaag gaat er veel geld van Zuid naar Noord (toeristische uitgaven o.a.).

e) het Belgisch federalisme maakt het bijna onmogelijk om structureel solidair te zijn . Er zijn zoveel bevoegdheden overgeheveld dat het federaal niveau het geld niet zelf over heel België kan verdelen. Omdat de partijen gesplitst zijn en omdat er geen nationale kieskring is kunnen kiezers uit één Gewest bovendien geen anderstalige politici ivm transfers ter verantwoording roepen. Er is dus nood aan meer samenhang en eenheid, niet minder.

f) Ook al zouden de transfers hoog zijn is dit geen reden om ze af te schaffen. Hoe meer ongelijkheid er immers is, hoe méér solidariteit er moet bestaan, teneinde overal welvaart voor élke Belg te verzekeren.

Besluit: De verschiltheorie, succes en zwakte

De probleemstelling in bovenstaand artikel was hoe de verschiltheorie te omschrijven, begrijpen en, vervolgens, te ontkrachten. Nationalistische leiders hebben doorheen de eeuwen met de simplistische verschiltheorie gezwaaid om aardse rijkdommen op te eisen. De essentie immers van hun politiek machtsstreven is het afbakenen van territorium en alles wat er op, onder en boven dat grondgebied [13] ligt. Dat hiervoor theorieên nodig waren en zijn vloeit voort uit het feit dat sedert het einde van de Middeleeuwen de maatschappelijke structuren steeds ingewikkelder werden en er nood was aan simpele beeldvorming om complexe maatschappijen voor de massa begrijpbaar te maken. De paradox is duidelijk.

Merkwaardig genoeg is de theorie de laatste decennia veelal slechts succesvol als het gaat om het overtuigen van de politieke klasse zelf, niet zozeer van de bevolking [14] . In West-Europa is (in theorie) na 1945 het nationalisme als staatspolitiek opgegeven. Gematigde Joegoslaven en Tsjechoslovaken werden echter nationalistische Servische en Tsjechische politici onder druk van kleine fracties. Traditionele Belgische partijen bogen – ook ter wille van financiële (belastingsverlaging door meer autonomie voor het rijkere Noorden) of structurele voordelen (vier ministeries in plaats van één)- voor de verschiltheorie van de VU, het FDF, het RW… Sommige van deze partijen behaalden electoraal succes toen er nog echte problemen bestonden, zoals het vastleggen van de taalgrens in België (tot de jaren 60 van de 20 ste eeuw). Naarmate hun electoraat afstierf, nam echter hun politiek gewicht meer en meer toe, in die mate dat elke partij die vandaag in het Belgisch Parlement ( a fortiori in de deelparlementen) zetelt als nationalistisch kan omschreven worden.

De zwakte van deze hele theorie is dat ze indruist tegen de verdraagzaamheid van de menselijke natuur zelf, tegen het universalisme dat elk rationeel denkend wezen aanvaardt en, tenslotte, tegen de historische vervlechting van onze streken, die nooit op taalbasis is gebeurd. Vooralsnog moeten we leven met een binaire, antifederale structuur, de organische vertaling van de verschiltheorie: het Belgische schijnfederalisme.

[1] De term flamingantisme verschilt fundamenteel van Vlaams-nationalisme. Enkel de tweede term houdt expliciet het streven in naar een autonome of zelfs soevereine staat.

[2] De staatshervormingen van 1970, 1980, 1988, 1993, 2001, 2003 (defederalisering wapenhandel) tonen aan hoe het politiek besluitvormingsproces steeds volgt op een geestelijke omwenteling, met name diegene die we in het vorige artikel bespraken (samenspel Vlaams- en Waals-nationalisme vanaf 1918 en verlies Belgische kolonie en mandaatgebieden, economische instorting grote delen van het Zuiden, recuperatie beweging ’68 door nationalisten vormde de aanzet tot de intrede van het Belgisch politiek leven in het nationalistisch vertoog).

[3] Terecht rijst hier meteen de vraag : Wat dan met atheïsten? Dostojewski meende dat “zonder God alles waardeloos was”. Toch zijn ook mensen die niet geloven in God tot goedheid in staat. Is God in hen aanwezig en beseffen zij dit niet?

[4] Concreet wil dit zeggen : zich Limburger, Vlaming, Belg, Europeaan voeren zonder hier exclusieve, soevereine politieke structuren aan te koppelen die een bovennationale rechtsorde in de weg staan. Met de beleving van groepsidentiteit is op zich niets mis, in zoverre dat ze niet leidt tot de eis op zelfbeschikking van contingente territoria die andere mensen uitsluiten.

[5] Positief en negatief betekenen hier niet ‘goed’ of ‘slecht’, maar worden slechts in de technische zin van het woord aangewend.

[6] Merk hierbij op dat bijna alle, buiten de meest fanatieke, nationalisten zeggen dat de reden tot een splitsing van België niet gaat om verschillen “tussen gewone mensen”, maar wel om zogenaamd onoverbrugbare verschillen tussen “Vlaanderen” en “Wallonië”. Op de vaststelling dat er ook verschillen zijn tussen jongeren en ouderen, mannen en vrouwen, stad en platteland… kunnen zij nooit bevredigend antwoorden.

[7] Zie volgend artikel.

[8] Men leze De sloop van Joegoslavië van R. DETREZ

[9] Voor onmenselijke misdaden als de Holocaust haalt men soms de banaliseringstheorie boven: iedereen, zo zegt deze theorie, kan de eindverantwoordelijkheid van zich afschuiven want iedereen (van de opdrachtgever tot de kampbewaker) was slechts een radertje in het werk. Op die manier wordt de gruwel “onvermijdelijk”. Echo’s van dit denken vinden we in België wanneer journalisten, politicologen, opiniemakers… spreken over de “onvermijdelijkheid” van verdere staatshervormingen, bijvoorbeeld omdat het “in de logica van de gewijzigde staatsstructuur” ligt. Dat deze logica zélf fout is, daarover wordt geen debat gevoerd.

[10] Zie Art. 2 van het Verdrag van Rome (1957), de grondslag van de Europese Unie, dat oproept tot een socio-economische harmonisering tussen de lidstaten.

[11] C.LARRERE en F.WEIL, Oeuvres complètes de Montesquieu , t.2, Oxford, The Voltaire Foundation, 2000, chap.XVIII ( Pensée n° 318 ), p.360 : Les choses sont telles en Europe que tous les États dépendent les uns des autres. La France a besoin de l’opulence de la Pologne et le la Moscovie, comme la Guyenne a besoin de la Bretagne et la Bretagne, de l’Anjou. L’Europe est un État composé de plusieurs provinces .

[12] Rapport 2003.

[13] Men denke aan de problematiek der nachtvluchten of de vraag tot regionalisering van de Nationale Luchthaven.

[14] Begrip kan uiteraard wel worden opgebracht voor werkelijk onderdrukte bevolkingen, zoals in O-Timor, die nationalisme als een noodzakelijk kwaad gebruiken om van een bloedige verdrukker af te komen.