NATIONALISME EN GANGBAAR VERTOOG

Inleiding

België gaat gebukt onder de terreur van het Vlaamse en van het francofone nationalisme. Sedert 35 jaar is België onder hun druk gedenationaliseerd, concreter: onder het vals voorwendsel van “federalisering”[1] en “beter bestuur” versnipperd tussen drie of vier mini-staatjes onder de koepel van een, vaak machteloze, Belgische bond. Historici en politicologen hebben de Belgische desintegratie ontleed vanuit historisch, sociologisch, polemologisch enz. perspectief. Dit is nuttig, doch het volstaat niet. Om de werkelijke drijfveren te begrijpen en te onderkennen dienen wij het begrip nationalisme trachten te definiëren en haar modus operandi binnen een transhistorisch perspectief te begrijpen. Het Belgisch ontbindingsproces immers is niet alleen een kwestie van structuren; het is evenzeer zaak van een vertoog dat in de geesten der politieke klasse verstrengeld is en de structuren (het bipolair confederalisme, de drang naar soevereiniteit enz.) kneedt.

Wat is nationalisme?

Wat is nu de kern van dit heersende vertoog, wat houdt nationalisme in? Nationalisme is elke vorm van politieke actie die erop gericht is om voor een welomlijnde taal-, religieuze of etnische groep bepaalde voordelen op een omschreven territorium af te dwingen die het aan andere groepen ontkent (of niet d.m.v. directe actie aan hen wil toezeggen). (1) Enerzijds betekent dit dat nationalisme erop gericht is –zoals Gellner al zegde twintig jaar geleden- (vermeende!) cultuurgrenzen te laten congrueren met staatsgrenzen. (2) Ook het streven naar eigen wetten, parlementen, vakbonden enz. wordt door deze definitie gedekt. Centraal staat inderdaad de exaltatie van het “eigene”[2]. (3) Dit hoeft echter niet noodzakelijk te leiden tot de oprichting van een soevereine staat. Het streven naar het onderwerpen van andere gebieden aan de “eigen” cultuur (bijvoorbeeld door verfransing rond Brussel, het niet naleven van de taalwetten) is eveneens een nationalistische daad. Zij valt onder bovenstaande, voorgestelde definitie. Zodoende huldigen de N-VA en het FDF dezelfde ideologie. Sterker nog: zij zijn elkaars objectieve bondgenoten, daar een nationalisme zonder vijandsbeeld in se onleefbaar is. Hun wederzijdse revendicaties versterken elkaar.

(4) In tegenstelling tot universalistische ideologieën zoals het liberalisme, de Christen-democratie en het socialisme is de nationalistische pretentie zodoende tegengesteld aan een idee die àlle mensen ten goede zou moeten komen. Het nationalistisch streven beperkt zich immers tot de eigen groep. (5) Dit gegeven vindt men ook terug in het fascisme, het fallangisme en het nazisme; ofschoon hun oogmerken vaak uitgesproken imperialistisch waren (en zijn) spreken/spraken zij slechts voor één groep. Men is Vlaming/Waal of men is het niet. Men kan proberen van alle mensen liberalen, Christen-democraten of socialisten te maken. Maar men kan niet van alle mensen Fransen, Vlamingen, Catalanen, Ieren – of Germanen- maken. Men kan er wel “betere” volksgenoten van maken. Zodoende zijn er “goede” en “slechte” Vlamingen. We hoorden dit discours in de crisis rond B-H-V. Dat zij de kiemen bevatte van een totalitair denken ontging onze vaderlandse opiniemakers. Dit laatste is echter tekenend: niet alleen horen zij dit niet, sterker: wij durven te stellen dat zij de nationalistische uitwas niet kunnen horen. Dit komt door een verschuiving in het aanvaarde vertoog.

Drie fasen en één vertoogwisseling: van eenheid naar nationalisme als dominant discours

Dit gegeven brengt ons bij een volgend punt, namelijk dat van het dominante discours (vertoog). Zoals Foucault stelde bepaalt een vertoog niet alleen wat gezegd wordt, maar ook wat NIET gezegd mag/kan worden (“le non dit”). Ruwweg kan men stellen dat er in België drie fases zijn geweest waarin het gangbare discours geleidelijk aan veranderd is. In de eerste fase (1830-1914) was een tegenstelling tussen “Vlaanderen/Wallonië” als politieke entiteiten ondenkbaar. Zij werden, zo men de begrippen al gebruikte, als complementair beschouwd[3]. Op 11 juli werd niet de Vlaamse Leeuw, maar de Belgische driekleur uitgehangen. De positieve klemtoon lag in het publieke forum uitsluitend bij de Belgische natiestaat. Aangenomen dat er al separatisten of Vlaams/Waalse nationalisten waren – wat niet bewezen is[4]– vielen zij buiten het gangbaar, unitair vertoog en werden hun proposities als wartaal beschouwd. In de tweede fase (1914-1968) heeft het nationalistisch discours het eenheidsdiscours bekampt en verdrongen. De redenen waarom zijn uitermate ingewikkeld. Allereerst moeten we vaststellen dat de separatistische idee geen originele ‘Belgische’ creatie is geweest. Zij is door het Duitse Rijk in de augustusmaand van 1914 ingevoerd. De administratieve scheiding van België, door de Duitse bezetter gewenst om twee redenen: de goodwill opwekken van Nederland (hetgeen mislukte) en, uiteraard, de vernietiging van België. Op zich vormde deze “activistische politiek” de basis van het Vlaams-nationalisme, dat in een kettingreactie het Waals regionalisme zou vitaliseren. De scheiding van België in 1917/18 onder de Raad van Vlaanderen is de feitelijke blauwdruk van de staatshervormingen, die pas tientallen jaren later geschiedden.

Staat dit fenomeen alleen? Geenszins: ook de scheiding van Tsjechoslovakije (1992) en van Joegoslavië (1990-1995) waren uitvloeisels van de politieke wensen van een buitenlandse mogendheid, meer bepaald van nazi-Duitsland in WO II. Prof. Em. Lode Wils, een Leuvens historicus, heeft hier meermaals terecht op gewezen. Voegen wij hier nog aan toe dat ook de splitsing van Oostenrijk-Hongarije, door de verdragen van St-Germain en Laye en Trianon (1919/1920) niet in de eerste plaats het werk was van interne krachten binnen de Donaumonarchie e propribus motibus handelend, maar wel van de geallieerden, aangevuurd door nationalisten als Benes en Masaryk, founding fathers van het latere Tsjechoslovakije. Per slot van rekening was dit laatste land eveneens een neocreatie, samengesteld uit de noordelijke provincies van de Donaumonarchie. Men leze er het uitstekende “Réquiem pour un Empire défunt” van F. FEJTÖ op na. Kortom: als kleinere landen ontstaan of gesplitst worden is dit vaak het (on)rechtstreeks gevolg van de machtspolitiek der groten.

Hoe dan ook was het separatisme na WO I een politieke strekking geworden in België. Zij was zwak, maar zij bestond. Zij werd gevoed door – vaak terechte- frustraties over het uitblijven van verdere taalwetten, de trage ontwikkeling ervan, de arrogantie van bepaalde Brusselse, Nederlandshatende kringen, de teleurstelling van de Frontsoldaten etc. Het belangrijkste gegeven was echter niet haar getalsmacht, maar wel haar existentie, gezien dit  de overgang in de jaren 60 van het eenheidsdiscours naar het nationalistisch discours – de “shift of dominances”- mogelijk gemaakt heeft. Anders dan voor 1914 kregen taalgrieven een antistaatskarakter, dat voor de Wereldoorlog eenvoudigweg als uitlaatklep niet denk-baar was.

Om begrijpelijke redenen werden nationalisme en totalitarisme in de jaren 30 bondgenoten. Het fascistisch totalitarisme hield (net als het communisme, in bijv. de SU) voor dat ENKEL de Staat het volk kan weerspiegelen, en dat ALLEEN de Führer, Il Duce of “den Leider” de Staat kan incarneren. Inderdaad houdt ook nationalisme een primauteit in van de abstrakte Staat op de waardigheid en integriteit van het individu. Maken we even een omwegje naar het hedendaagse België: wie vertegenwoordigt de burger? Vaak niet het Parlement, maar wel “Overlegcomités” waarin de deelstaten met elkaar diplomatieke overeenkomsten afsluiten. Deze comités kunnen door niemand afgestraft worden. Aldus is niet langer de burger eerste drager van het recht, maar wel de (deel)staat…[5] Het neerslaan van de Vlaams-nationalistische Beweging na WO II was bij voorbaat tot falen gedoemd om dat het Koninkrijk België naliet om een moderne visie in te stellen, nl. dat België een meertalige natie was die dynamo van Europa diende te worden, samen met Nederland en Luxemburg. De Benelux werd in de jaren veertig/vijftig opgericht, maar nooit of onvoldoende met positieve ideologische argumenten onderbouwd of verdedigd. De –voorlopige- relatieve mislukking ervang hangt daar ook mee samen. Laten we kijken naar de EU van vandaag waar eveneens een gebrek aan discours over de Europese waarden en grondslagen –dat nochtans perfect synthetiseerbaar zou zijn met positief spreken over de pluriculturele en meertalige Ruimte die Europa is- ontbreekt.

De genadeklap voor het unionistische discours kwam er pas in de jaren 60. Drie redenen lagen aan de grondslag. Allereerst verloor België in 1960/1962 zijn mandaat- en koloniale gebieden in Afrika (verlies aan nationaal prestige). Ten tweede werd de kolen- en staalindustrie in het Zuiden op korte tijd in een diepe, structurele crisis gewenteld. Ten derde werd de culturele revolutie van mei 1968 die in het Westen overal opgeld maakte in België door nationalisten gerecupereerd. Het resultaat was dat de synthese van verschillende tegenstellingen ervoor zorgde dat de Belgische eenheidsstaat omgevormd werd tot een statenbond die zou voldoen aan de economisch-autonomistische verzuchtingen van de Waalse en de cultureel-autonomistische verzuchtingen van de Waalse Beweging. Zeker hadden de politieke klasse, of althans de gezonde krachten deze beweging nog kunnen omkeren door een manmoedige opstelling en het spreken over de positieve en toekomstgerichte wens voor een meertalige Staat. Door kortetermijndenken, gebouwd op plat opportunisme – laten we zeggen “à volonté/naar believen” postjes pakken in alle deelraden- en een volslagen ontbreken aan staatsmanschap deden zij dit echter niét. Zodoende zag de derde fase (1968-heden) de triomf van het nationalistisch discours.

Een blik op het huidige vertoog

Vandaag is het enige geldige vertoog in België het (rampzalige) nationalisme. Iedere partij in ons Parlement is nationalistisch, van Groen! tot het Vlaams Belang, van Ecolo tot de PS. Allen zijn zij gesplitst op taalbasis en weigeren zij het Nationaal Belang te laten primeren op het regionaal. Is hun vertoog dan op zichzelf onlogisch? In het geheel niet! Hoe pervers het streven naar opdeling van mensen in hokjes is vanuit moreel oogpunt ook weze, vanuit het perspectief van de huidige dominante ideologie stemt dit overeen met de Rede zelf. Het nationalisme van de Belgische communautaire eenpartijstaat immers hanteert één dogma dat alle partijen onderschrijven: Verschillen tussen twee bevolkingsgroepen en landsdelen bestaan op dramatische wijze en zijn categorisch onoverbrugbaar; zij moeten in de naam van een beter bestuur opgelost worden door verdere bevoegdheidsoverdrachten naar de deelstaten. De overgedragen bevoegdheidspaketten moeten homogeen zijn[6].

“Vertaald” betekent dit: in België zijn er maar twee delen, binnen deze delen denkt iedereen min of meer hetzelfde (waarom dan nog verkiezingen…?). In de naam van deze zelfuitgeroepen eigenheid moet de macht van de deelstaten, ergo van de politici die hun leiden, verhoogd worden. Het streven naar “bevoegdheidsoverdrachten”, “homogene bevoegdheidspaketten” betekent niets meer of minder dan “geef ons de macht om u te zeggen wat goed is voor u (“beter bestuur”)”.

Nochtans is een ware, parlementaire democratie gebouwd op de erkenning en niet de negatie van verschillen. Nochtans heeft niemand een monopolie op een beter bestuur, ook – en zeker niet- de nationalisten. Wie pretendeert door zijn politieke actie het monopolie te bezitten op een beter bestuur hanteert een ideologie die onverzoenbaar is met elk democratisch of humaan beschavingsbeginsel. Gevolg is alleszins dat in ons land de ideologieën lege dozen zijn geworden, daar alle partijen nationalistisch geworden zijn, en dat causaliteit en teleologie van hun daden enkel door deze ideologie gegrondvest en gestuurd worden[7]. Journalisten en opiniemakers zijn doordrenkt van dit vertoog. Elke oproep van verstandige mensen, van oprechte uniefederalisten of unitaristen, wordt gewoonweg niet gehoord, wegens “non-dictum”.

Maar dit alles zou niet zo succesvol zijn indien zij niet hun machtsstreven zouden legitimeren door een pseudo-humanistisch discours. Hierdoor verschoont de leidende klasse zich. Zij zeggen immers dat de splitsing van België de burgers en de deelstaten –“Vlaanderen”/”Wallonië”[8] ten goede zou komen. Zodoende kan men e contrario stellen dat het verenigen van taalgroepen slecht is omdat het conflicten veroorzaakt. Welnu, dit is precies wat het Vlaams Belang zegt over allochtonen: te veel immigratie zorgt voor een “multicriminele tijdbom”, deportatie en grenssluitingen zorgen voor een vreedzame samenleving. De ware pacifisten en democraten zouden dus degenen zijn die mensen willen verdelen, de polemisten zijn degenen die… hen willen samenbrengen. Bovendien leeft deze laatste groep in het verleden, leert het nationalisme ons.

Vreemd. In andere meertalige Staten zoals Zuid-Afrika, Canada of Zwitserland worden de verdedigers van eenheid en solidariteit net gezien als de grootste progressievelingen. Het feit dat nationalisten erin geslaagd zijn de verdedigers van België als reactionair en oubollig af te schilderen is wellicht één van hun grootste successen. Deze laatste gaan echter niet vrijuit, daar zij reeds een halve eeuw –gelukkige uitzonderingen daargelaten- België louter verdedigd hebben in de naam van de Koning, van de territoriale onschendbaarheid des Rijks, of –oneindig veel erger- in de naam van “la francofonie”. Zij lieten systematisch na om erop te wijzen dat België een meertalige democratie is in het hart van de Lage Landen en dat men in de naam van solidariteit en rechtvaardigheid voor iedereen –van welke taalgroep dan ook- de Staat intern moet versterken en extern moet verbinden met haar buurlanden[9].

Besluit

In dit artikel hebben we enkele aanzetten tot reflectie aangaande de wisselingen in vertoog gegeven. België werd omgevormd van een eenheidsstaat tot een statenbond omdat la pensée unique van het nationalisme, gestuurd door de verschiltheorie het staatsdenken –of het gebrek eraan al naar gelang hoe men het beziet- volledig bepaald heeft. Het is nodig eerst te begrijpen wàt er gebeurd is, al is het op een erg summiere manier hier samengevat, om te begrijpen hoé dit systeem in stand word gehouden en –tenslotte- hoe men het kan bestrijden. Het huidige vertoog is, laten we niet vergeten, positief: de gelukkige splitser wil liever niet “getrouwd” zijn… Dit is natuurlijk onzindelijk, a fortiori om zoiets complex als staatspolitiek mee te bedrijven.


[1] Waarbij men in werkelijkheid confederalisering bedoelt. Confederalisme is niet een zwakkere of een ‘andere’ vorm van federalisme, het is er het tegengestelde van. Federalisme verenigt onderscheiden entiteiten om het Algemeen Belang te dienen, met respect voor de autonomie van de deelgebieden. Confederalisme daarentegen creëert een bond van soevereine staten die zélf, ongeacht het bonum commune, beslissen wat ze samen doen. De confederalisering van een staat houdt in dat burgers die voordien gelijken voor de Wet waren, nu worden behandeld als subjecten, die onder het gezag van een andere (deel)staat vallen.

[2] Niet het moreel, humaan of ethisch betere. De Baskische, Bretoense, Schotse of Franse nationalist wenst geen “betere” wetten of parlement, hij wenst eigen wetten en organen. Het enige gehanteerde criterium is eigenheid (in België afgemeten aan taal).

[3] “Vlaanderen” verwees uitsluitend naar het historische Graafschap Vlaanderen, wanneer men het had over het Noorden van België sprak men in de regel van “Vlaamsch België” (een dagblad dat in 1844 korte tijd bestond, droeg ook die naam). Het huidige Vlaanderen wordt aangeduid met een oneigenlijke benaming en is in feite een soort pars pro toto.

[4] Maken we uitzondering van J. Destrée die zijn fameuze “Lettre sur la séparation de la Flandre et la Wallonie” op persen gesponsord door de triple-alliantie liet drukken!

[5] Men heeft het bij de St-Michielsakkoorden (1993) niet van de daken geschreeuwd, maar wat eertijds door een KB of door een wet bepaald werd, wordt thans in vele gevallen al door diplomatieke (itt democratische wetten) samenwerkingsakkoorden geregeld. Geen enkele Assemblée kan deze amenderen. Indien één (deelstaat)parlement ze amendeert, moeten alle desbestreffende uitvoerende machten ze opnieuw ratificeren. Dat op die manier rijke regio’s armere regio’s (financieel) kunnen chanteren weze duidelijk. In de DHL-crisis was er bijv. op federaal niveau een meerderheid die tot een consensus met het bedrijf kon leiden. Ook in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hadden liberalen en socialisten een meerderheid, parallel met die op Belgisch niveau, enkel… de MR (federaal coalitiepartner) zat er niet in de regering. Zodoende kon zij géén samenwerkingsakkoord ratificeren; Ecolo een partij die ( met haar Brusselse stemmen) nog geen 1% der Belgen vertegenwoordigt kon op die manier wél de deelstaatregering blokkeren. In dit systeem is het derhalve voldoende om 10.000 kiezers te hebben in een deelstaat om over het hele Rijk te beslissen. Zelfs de Duitstalige Gemeenschap kan zo de inwerkingtreding van de Europese Grondwet vandaag, of van het Verdrag van Maastricht gisteren, blokkeren. In 1831 was de democratie mutatis mutandis representatiever dan vandaag!

[6] Wat maar aantoont hoe hypocriet de verdedigers van een “gedeeltelijke” defederalisering van de sociale zekerheid zijn: deze gaat immers in tegen hun eigen theorie van homogene bevoegdheidspaketten (!)

[7] Merken we hier in de marge bij op dat als dusdanig alle ‘traditionele’ partijen (objectieve) bondgenoten zijn van het Vlaams Belang. Sterker: het VB haat de staat, maar is nog trouw aan haar (verwerpelijke) ideologie, de anderen hebben zelfs dié laten vallen. Zijn zij dan beter…?

[8]Zo  spreekt men in de vele « debatten » over de “transfers” haast nooit over ‘het Brussels Hoofdstedelijk Gewest’, dat volgens het KBC-rapport van 2003 nochtans 50% van het “Vlaams” geld in de Sociale Zekerheid opsoupeert. Ook over de Duitstalige Gemeenschap wordt nooit gesproken; dit om het bipolaire discours zo sterk mogelijk in de geesten in te beitelen.

[9] Net als haar kleine, meertalige (Fries, Duits, Letzebuergisch) constitutionele, parlementaire monarchieën.