REPLIEK VAN DE B.U.B. VOOR PAN – REPLIQUE DU B.U.B. POUR PAN – ERWIDERUNG DER B.U.B. FÜR PAN

Afbeelding – Image – Bild: A.I.

EENTALIG IMPERIALISME OF MEERTALIG UNITARISME?

In een artikel getiteld Le fantasme contre le réel [De fantasie tegenover de werkelijkheid, B.U.B.] gepubliceerd in Pan op 18 september 2026, antwoordt Louis Nisse op ons opiniestuk Een nieuw unitair België (Pan, 4 september 2026, zie deze link op onze site). Wij hebben voor de volledigheid zijn opiniestuk hieronder gepubliceerd.

Nisse beweert daarin het “Vlaams”-nationalisme te bestrijden. Het beste antwoord dat hij erop weet te geven, bestaat echter uit het bevorderen van een expansionistisch Franstalig nationalisme. De auteur beperkt zich hoofdzakelijk tot lange historische uiteenzettingen, alvorens veel te kort in te gaan op enkele punten die wij in onze argumentatie hadden uiteengezet.

De stichting van het Koninkrijk België

De historische lezing die de auteur voorstelt, is overigens niet vrij van fouten. Zo beweert hij dat niet België, maar het “Vlaams” gewest in de middeleeuwen ontstond. In werkelijkheid is België, net als de meeste Europese staten – met uitzondering van Italië – tot stand gekomen door de geleidelijke eenmaking van een heterogeen geheel van vorstendommen. Die werden langzaam maar zeker steeds meer gecentraliseerd. In onze gewesten was dit proces het werk van de Bourgondiërs, die achtereenvolgens Vlaanderen en Artesië (1384), Namen (1421), Henegouwen, Holland en Zeeland (1428), Brabant (1430) en Luxemburg (1441) in één enkel geheel verenigden. Deze territoria – en niet het Graafschap Vlaanderen, dat de auteur met het moderne “Vlaanderen” verwart – vormden de kern van wat later het Koninkrijk België zou worden. Het hier genoemde Vlaanderen, betrof het het Graafschap Vlaanderen, dat vandaag de dag overeenkomt met de Belgische provincies Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen, evenals Frans-Vlaanderen en Zeeland. Overigens spreekt de auteur zijn eigen these tegen wanneer hij terecht beweert dat “vóór 1830 een Belgische identiteit […] zich langzaam had gevormd in de zuidelijke Nederlanden“.

Er dient eveneens te worden opgemerkt dat geen enkel van de vorstendommen die later deel zouden uitmaken van het Koninkrijk België eentalig was, zelfs het prinsbisdom Luik niet. Dit laatste vorstendom omvatte overigens ook de toekomstige provincie Limburg (wat de auteur nalaat te vermelden) en transformeerde zich – zoals hij zelf onderstreept – tijdelijk in een Luikse republiek. Over deze republiek moet bovendien worden verduidelijkt dat er aan het einde van de achttiende eeuw geenszins een meerderheid bestond voor aanneming bij Frankrijk. Historisch onderzoek toont aan dat slechts een vijfde van de mannelijke bevolking van het voormalige prinsbisdom dit politieke project steunde.

De eerste Belgische Revolutie vond plaats in 1789, onder de naam Brabantse Omwenteling, ook al betrof deze eveneens andere Belgische provincies zoals Namen, Vlaanderen en Henegouwen. Op 11 januari 1790 leidde dit tot de vluchtige oprichting van een Belgische republikeinse confederatie onder de naam “Verenigde Belgische Staten”. In werkelijkheid heeft 11 januari evenveel reden om een Belgische nationale feestdag te zijn als 4 oktober (1830) of 21 juli (1831). Het feit dat het voormalige prinsbisdom Luik geen deel uitmaakte van deze republiek verandert niets aan het feit dat dit de eerste onafhankelijkheid van België betreft. Anders zou men moeten volhouden dat de Verenigde Staten pas in 1959 zijn ontstaan, toen de 50ste staat (Hawaï) zich bij het land aansloot. Er is echter niemand ter wereld die zo’n stelling verdedigt.

De (tweede) Belgische Revolutie, die veertig jaar later plaatsvond, was een nationale opstand. Het is zeker juist dat Luikenaars deelnamen aan de verdrijving van de Nederlandse troepen. Dit spreekt overigens de eerdere stelling van de auteur tegen, waarin die beweerde dat de Luikenaars niet geïnteresseerd waren in België. Echter, beweren dat ze “nagenoeg de enigen waren” om de Brusselaars te hulp te schieten is historisch onjuist, omdat de revolutie begon in heel Brabant (Brussel, Leuven, Tienen, Nijvel), net als in Vlaanderen, Henegouwen, Namen en Luxemburg. Het is evenmin historisch correct te vertellen dat het aanbieden van de Belgische Kroon aan de zoon van de Koning der Fransen, de hertog van Nemours, door het Voorlopig Bewind van België, het bewijs zou vormen van een duidelijke wil van dat orgaan om België bij Frankrijk in te lijven. Tijdens de debatten in het Nationaal Congres die gewijd waren aan de keuze van de hertog, werd herhaaldelijk benadrukt dat een Franse prins de onafhankelijkheid en de territoriale integriteit van België moest respecteren.

Men moet vaststellen dat het Verenigd Koninkrijk een belangrijke rol heeft gespeeld bij de keuze van de nieuwe vorst. Het valt immers niet te ontkennen dat Londen beschikte over een enorme diplomatieke invloed in de continentale aangelegenheden. Toch is het overdreven om te spreken van een Brits “vetorecht“, zoals de auteur doet. De stelling die hij verdedigt, beantwoordt in de eerste plaats aan een politiek doel: namelijk het voorstellen van de creatie van het Koninkrijk België als de vrucht van een Brits en anti-Frans initiatief.

De ontwikkeling van de “Vlaamse” beweging binnen België

Waarom heeft zich dan een “Vlaamse” beweging ontwikkeld binnen België? Allereerst omdat radicale patriotten die gewonnen waren voor de Belgische zaak, meegesleept door het enthousiasme gewekt door de Belgische Revolutie, op zoek gingen naar wat België écht tot een natie maakte.

De “Nederduitse” volkstaal vormde hier natuurlijk een belangrijk element in. Pas daarna doken politieke eisen op taalgebied op. De eerste generaties flamingantische militanten waren grotendeels van conservatieve en katholieke snit, hetgeen voor enige spanning zorgde met de “Waalse” beweging, die eerder liberaal en antiklerikaal van aard was. Maar er was geen breuk met de Belgische staat. Vóór 1914 bestond er immers geen enkele “Vlaamse” drukkingsgroep, partij, tijdschrift of dagblad dat tegelijk flamingantisch en anti-Belgisch was.

De Eerste Wereldoorlog zou de situatie grondig veranderen. Dit conflict ontketende overal sociale en nationale revoluties. In onze gewesten werd dit proces bewust aangemoedigd door de Duitse bezetter die, via zijn Flamenpolitik, trachtte de “Vlaamse” beweging te instrumentaliseren. De relatief kleine groep die aan deze collaboratie deelnam, werd “activisten” genoemd. In zijn beleid kon de Duitse bezetter bij deze flamingantische militanten het Germaans verwantschapsgevoel uitbuiten, evenals de frustraties die binnen de “Vlaamse” beweging leefden over een taalwetgeving die, volgens sommige aanhangers van deze stroming, te langzaam vooruit ging.

De auteur haalt ook de gallofobie van de “Vlaamse” beweging aan. Die was ongetwijfeld reëel. Maar er bestond eveneens een anglofobie. Veel flaminganten zagen met lede ogen aan dat België na de Duitse invasie niet alleen aan de zijde van Frankrijk vocht, maar ook aan de zijde van het Verenigd Koninkrijk. De herinnering aan de Boerenoorlog (1899-1902), die enorme sympathie had opgewekt voor de “stamverwante” Boeren in Zuid-Afrika tegen de “Britse imperialisten”, speelde hier een cruciale rol.

Zoals de Duitse gezant in het neutrale Nederland en latere staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Richard von Kühlmann in augustus 1915 schreef, was het minimale doel van deze Flamenpolitik om “België duurzaam te verzwakken door twisten tussen Vlamingen en Walen aan te wakkeren“. Het oogmerk van de Flamenpolitik was om op die wijze een gefragmenteerd België te creëren om het op termijn, en samen met Nederland, te integreren in het Duitse Keizerrijk. Het Groot-Nederlandse project – waar de auteur het eveneens over heeft, maar waarvan hij een volkomen foutieve interpretatie geeft – is tijdens de Eerste Wereldoorlog ontstaan.

De “activistische” collaborateurs waren zeker niet talrijk, maar de meerderheid van de andere flaminganten weigerde nadien om zich (volledig) van hen te distantiëren. De Duitse bezetter had op die manier een revolutionaire en anti-Belgische stroming duurzaam geënt op de traditionele “Vlaamse” beweging. Of, zoals de schrijver Gerard Walschap later zou opmerken: “Het activisme spleet ons [dat wil zeggen de flaminganten, B.U.B.] veel dieper dan men vandaag kan begrijpen. Het koos tussen Vlaanderen en België, twee vaderlanden die tot dan toe voor ons identiek waren en die plotseling, tot onze verbazing, onverzoenlijke vijanden waren geworden“.

Dit nationalisme versterkte zich nog tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, toen een veel grotere groep flaminganten collaboreerde met de nazi-bezetter. En aangezien België geen grondige denazificatie kende, konden deze collaborateurs nadien opnieuw politieke functies uitoefenen. Het cement dat de flamingantische nationalisten bond, was de eis tot amnestie. In hun visie op de geschiedenis beschouwden zij zichzelf als de “slachtoffers” van de “repressie” uitgeoefend door een “meedogenloze” Belgische staat. Dit versterkte, hun onblusbare haat tegen België. Of deed die ontstaan. De term “repressie” werd overigens gekozen door de flaminganten, terwijl in Frankrijk en andere landen wordt gesproken over een zuivering, een neutralere term die gunstiger is voor de bevrijders.

Een nieuwe laag van het “Vlaams”-nationalisme werd toegevoegd in de jaren 1960. In de hele westerse wereld doken subnationale bewegingen op die de bestaande natiestaat ter discussie stelden vanwege economische ongelijkheden. De “Vlaamse” beweging ging vanaf toen hetzelfde doen. Maar zij was niet de enige: de links-regionalistische “Waalse” beweging volgde dezelfde weg en bood de nationalisten uit het noorden zo een objectieve bondgenoot. De “staatshervormingen” die vanaf 1970 de communautaire problemen institutionaliseerden en op de spits dreven, vonden hun oorsprong in deze evolutie.

Enkele weerlegde beweringen

Volgens de auteur zouden deze “staatshervormingen” echter de uitdrukking zijn geweest van de volkswil. Hij vergeet er echter  bij te vertellen dat het federalisme werd bekokstoofd tijdens een lange vergadering van particraten in de herfst van 1969 (de zogenaamde vergadering van de 24) en geenszins het resultaat was van een openbaar debat of een referendum, maar wel van een schending van de Grondwet. Bovendien werd elke “staatshervorming” onderhandeld als een koehandel tijdens bijeenkomsten achter gesloten deuren, zonder dat de bevolking werd geraadpleegd. Tijdens pre-electorale periodes bleef dit thema vaak op de achtergrond en werden er zelfs beloften gedaan – met name op het vlak van herfederaliseringen – die de partijen nadien weer introkken.

In tegenstelling tot de meerderheid van de “Walen” en de Brusselaars, beweert de auteur, beschouwt een grote meerderheid van de “Vlamingen” zichzelf niet als Belg. In deze lezing van de feiten zou, zoals hij zelf erkent, de wil van de politieke elite dus samenvallen met die van de bevolking. Toch heeft geen enkele Franstalige partij ooit het minste voorstel dat gunstig is voor België op tafel gelegd tijdens de onderhandelingen over een “staatshervorming”, wel integendeel.

Reeds op 5 januari 1967 schreef Gaston Eyskens (CVP), een van de “vaders van het federalisme“, dat als er een referendum zou worden georganiseerd om de Belgen te laten kiezen tussen een unitaire staat en een federale staat, hij ervan overtuigd was dat de grote meerderheid van de bevolking de eerste formule zou steunen.

Zelfs de “minister-president” van het “Waals” gewest, Adrien Dolimont, verklaarde op 18 september 2026 in L’Avenir dat, als hij opnieuw kon beginnen, hij de voorkeur zou geven aan een unitair België met één enkele gecentraliseerde regering. Volgens hem zou deze organisatie het mogelijk maken om aan efficiëntiewinst te doen, de institutionele complexiteit te verminderen en de politieke verantwoordelijkheden beter te identificeren. Als zelfs de eerste “Waalse” particraat al niet meer gelooft in zijn politieke project, spreekt het vanzelf dat de bevolking er ook niet, of niet langer, in gelooft. Beweren dat de “staatshervormingen” het resultaat zijn van een volkswil is dus volkomen onjuist. Sterker nog, de premier van België en notoir separatist Bart De Wever verklaarde op 20 september 2026 op de RTBF dat “niemand sprak over de splitsing van het land” en dat hij niet wist in welke richting de volgende staatshervorming moest gaan.

Het feit dat vier op de tien Nederlandstalige Belgen – naar ons weten dus geen meerderheid – stemmen voor separatistische partijen, vormt geenszins het bewijs van een algemeen enthousiasme voor de splitsing van België. Het is bovendien treffend vast te stellen dat deze partijen, en de N-VA in het bijzonder, in tegenstelling tot wat Nisse beweert, hun project om België te splitsen niet openlijk presenteren. In 2024 verklaarde “Vlaams” “minister-president” Jan Jambon zelfs dat hij het separatisme niet kon doorvoeren omdat de grote meerderheid van de “Vlamingen” dat niet wilde. Volgens hem, zelfs wanneer hij zeer optimistisch was (!), was er 20% separatisten in het “Vlaams” gewest. Wetende dat Jambon een radicaal separatist is, is dit cijfer uiteraard zwaar overdreven. Verscheidene peilingen hebben inderdaad aangetoond dat de meeste Belgen voorstander zijn van een terugkeer naar het unitaire België, volgens een peiling van de RTBF van april 2024 zelfs 82%.

De auteur schrijft dat het aantal Franstaligen in Noord-België toeneemt. Hij beweert dat de tweetaligheid “geen reliek” is, maar “de weerspiegeling van een levendige taalkundige diversiteit“. Deze vaststelling is juist en zou ons juist moeten aanzetten om meertalige entiteiten zoals België te omarmen. De vraag is dan waarom hij ons land wil vernietigen.

De auteur werpt bovendien op dat het door de B.U.B. gewenste raadgevend referendum niet is voorzien in de Belgische Grondwet. Maar tegelijkertijd verwijst hij naar de Koningskwestie, die aantoont dat een dergelijke tussenkomst wel degelijk mogelijk is. De Grondwet verbiedt het raadgevend referendum immers niet. Wij zien evenmin in hoe de Koningskwestie – waarin zeven van de negen provincies zich uitspraken voor de terugkeer van Koning Leopold III – zou hebben aangetoond dat België geen natie is. Zou het Italiaanse referendum van 1946, met een republikeins Noorden en een monarchistisch Zuiden, dan niet veel meer hebben aangetoond dat Italië geen natie is?

Het is eveneens vreemd dat de auteur beweert dat het bewijs van het gebrek aan nationaal karakter van de Belgische staat zou schuilen in het feit dat België “niet is voortgekomen uit het verbond van twee volkeren“. “Vlaanderen” en “Wallonië” zijn immers neo-politieke creaties van het Koninkrijk België, dat veel oudere wortels bezit, van vóór de opkomst van de moderne staten.

De auteur beweert eveneens dat in een echt federalisme de deelstaten bevoegdheden overdragen aan de staat. Dit is onjuist. Wat hij beschrijft, komt overeen met een confederatie. In een federale staat is het de centrale overheid die bevoegdheden toekent aan de deelstaten. Wat België daarentegen onderscheidt van andere federaties, is met name de afwezigheid van een hiërarchie der normen, de afwezigheid van dominante federale partijen en nationale media, evenals een versnipperd buitenlands beleid. De vraag waar de “compétences régaliennes” zich bevinden heeft absoluut geen enkele invloed of een staat al dan niet federaal is. Als het anders was, zouden Duitsland en de Verenigde Staten, waar belangrijke onderdelen van Justitie en Veiligheid tot het niveau van de deelstaten behoren, niet als federaties kunnen worden beschouwd.

Het meest opmerkelijke is ten slotte dat, zelfs al zouden alle beweringen van de auteur juist zijn – quod certe non –, daaruit geenszins zou volgen dat Frankrijk grote delen van België moet annexeren. De auteur spreekt, eufemistisch, over een “hereniging” met Frankrijk. Welnu, het is waar dat heel België tussen 1794 en 1814 deel uitmaakte van Frankrijk, maar dit gebeurde voordat “Wallonië” als politieke entiteit bestond. De term “Wallonië” verspreidde zich pas echt vanaf 1886. Er kan dus geen sprake zijn van een “hereniging“, tenzij men de geschiedenis geweld wil aandoen.

Bovendien werd in gebieden die voordien bij Frankrijk waren ingelijfd, zoals Nice en Savoye (1860) of het Saarland (1935), de mening van de bevolking gevraagd via een referendum. Desondanks wil de auteur de Belgen een referendum ontzeggen over hun eigen staatsstructuur.

Men kan concluderen dat de auteur het zuiden van België op dictatoriale wijze wil aanhechten aan Frankrijk, en dus zonder zich te bekommeren om de wil van de inwoners. Die houding is niet te verenigen met een moderne democratie. Zelfs de Catalaanse, Schotse of Québécoise separatisten hebben meer moed.

Hans Van de Cauter, voorzitter van de B.U.B.

Bruno Yammine, historicus KU Leuven, coördinator van de studiedienst van de B.U.B.

IMPERIALISME UNILINGUE OU UNITARISME MULTILINGUE?

Dans un article intitulé « Le fantasme contre le réel », publié dans Pan le 18 septembre 2026, Louis Nisse répond à notre tribune « Une nouvelle Belgique unitaire » (Pan, 4 septembre 2026, voir ce lien sur notre site). Nous avons publié sa tribune ci-dessous pour plus d’exhaustivité

Il y prétend combattre le nationalisme flamingant. Toutefois, la meilleure réponse qu’il trouve à y apporter consiste à promouvoir un nationalisme francophone expansionniste. L’auteur se borne principalement à de longs développements historiques, avant d’aborder trop brièvement quelques-uns des points que nous avions développés dans notre argumentation.

La fondation du Royaume de Belgique

La lecture historique proposée par l’auteur n’est pas exempte d’erreurs. Il affirme ainsi que ce n’est pas la Belgique, mais la région « flamande », qui serait apparue au Moyen Âge. En réalité, la Belgique, comme la plupart des États européens — à l’exception notamment de l’Italie — s’est constituée par l’unification progressive d’un ensemble disparate de principautés. Celles-ci furent peu à peu de plus en plus centralisées. Dans nos régions, ce processus fut l’œuvre des Bourguignons, qui réunirent successivement la Flandre et l’Artois (1384), Namur (1421), le Hainaut, la Hollande et la Zélande (1428), le Brabant (1430) et le Luxembourg (1441) en un même ensemble. Ces territoires – et non le Comté de Flandre! – constituaient le noyau de ce qui allait devenir plus tard le Royaume de Belgique. Quant à la Flandre évoquée ici, il s’agissait du Comté de Flandre, qui correspond aujourd’hui aux provinces belges de Flandre orientale et de Flandre occidentale, ainsi qu’à la Flandre française et à la Zélande. Au demeurant, l’auteur contredit lui-même sa propre thèse lorsqu’il affirme, à juste titre, qu’« avant 1830, une identité belge […] s’était […] lentement construite dans les Pays-Bas du Sud ».

Il convient également de relever qu’aucune des principautés qui allaient ultérieurement faire partie du Royaume de Belgique n’était unilingue, pas même la principauté épiscopale de Liège. Celle-ci comprenait d’ailleurs également la future province du Limbourg, ce que l’auteur omet, et — comme il le rappelle — se transforma temporairement en république liégeoise. A propos de cette république, il faut d’ailleurs préciser qu’il n’existait nullement de majorité favorable, à la fin du XVIIIe siècle, à l’annexion à la France. Les recherches historiques montrent que seul un cinquième de la population masculine de l’ancienne principauté épiscopale soutenait ce projet politique.

La première Révolution belge a eu lieu en 1789, sous le nom de révolution brabançonne, même si elle concernait aussi d’autres provinces de la Belgique comme le Namur, la Flandre et le Hainaut. Le 11 janvier 1790, elle a donné lieu à la création éphémère d’une confédération républicaine belge sous le nom d’« Etats belgiques unis ». En réalité, le 11 janvier a autant de raison de constituer une fête nationale belge que le 4 octobre (1830) ou le 21 juillet (1831). Le fait que l’ancienne principauté de Liège ne faisait pas partie de cette république ne change rien au fait qu’il s’agit de la première indépendance de la Belgique. Sinon, on devrait soutenir que les États-Unis ne se sont constitués qu’en 1959, lorsque le 50ième État (Hawaï) a rejoint le pays. Il n’y a cependant personne au monde qui soutient une telle thèse.

La (seconde) Révolution belge, survenue quarante ans plus tard, fut une insurrection nationale. Il est certes exact que des Liégeois participèrent à l’expulsion des troupes néerlandaises. Cela contredit d’ailleurs la thèse précédente de l’auteur qui soutenait que les Liégeois ne s’intéressaient pas à la Belgique. Toutefois, affirmer qu’ils « furent quasiment les seuls » à venir au secours des Bruxellois est historiquement inexact parce que la révolution a commencé dans l’ensemble du Brabant (Bruxelles, Louvain, Tirlemont, Nivelles), dans les Flandres; le Hainaut, Namur et le Luxembourg. ll n’est également pas exact, sur le plan historique, que l’offre de la Couronne belge au fils du Roi des Français, le duc de Nemours, par le Gouvernement provisoire de Belgique, constituerait la preuve d’une volonté claire de cet organe de rattacher la Belgique à la France. Lors des débats au Congrès national consacrés au choix du duc, il fut à plusieurs reprises souligné qu’un prince français devait respecter l’indépendance et l’intégrité territoriale de la Belgique.

Force est de constater que le Royaume-Uni a joué un rôle important dans le choix du nouveau monarque. Il est en effet indéniable que Londres disposait d’une immense influence diplomatique dans les affaires continentales. Pourtant, il est excessif de parler d’un « droit de veto » britannique comme le fait l’auteur. La thèse qu’il défend répond avant tout à un objectif politique: il s’agit notamment de présenter la création du Royaume de Belgique comme le fruit d’une initiative britannique et anti-française.

Le développement du mouvement « flamand » au sein de la Belgique

Pourquoi, dès lors, un mouvement « flamand » s’est-il développé au sein de la Belgique? Tout d’abord parce que des patriotes radicaux acquis à la cause belge, emportés par l’enthousiasme suscité par la Révolution belge, se mirent à rechercher ce qui faisait de la Belgique une nation véritablement belge.

La langue populaire « bas-allemande » (« Nederduits ») en constituait naturellement un élément important. Ce n’est que par la suite que des revendications politiques en matière linguistique apparurent. Les premières générations de militants flamands étaient pour la plupart d’inspiration conservatrice et catholique, ce qui créait une certaine tension avec le mouvement « wallon », de tendance libérale et anticléricale. Mais il n’y eut pas de rupture avec l’État belge. En effet, avant 1914, il n’existait aucun groupe de pression, parti, périodique ou quotidien flamand à la fois flamingant et antibelge.

La Première Guerre mondiale allait changer la donne. Elle suscita partout des révolutions sociales et nationales. Dans nos régions, ce processus fut délibérément encouragé par l’occupant allemand qui, à travers sa Flamenpolitik, tenta d’instrumentaliser le mouvement « flamand ». Le groupe relativement restreint qui participa à cette collaboration fut désigné sous le nom d’« activistes ». Dans sa politique, l’occupant allemand put exploiter, chez ces militants flamingants, le sentiment d’une parenté germanique, ainsi que les frustrations qui existaient au sein du mouvement « flamand » face à une législation linguistique qui, selon certains adhérents de ce courant, progressait trop lentement.

L’auteur évoque également la gallophobie du mouvement « flamand ». Celle-ci était incontestablement bien réelle. Mais il existait également une anglophobie. De nombreux flamingants voyaient d’un mauvais œil le fait qu’après l’invasion allemande, la Belgique combattît non seulement aux côtés de la France, mais également aux côtés du Royaume-Uni. Le souvenir de la guerre des Boers (1899-1902), qui avait suscité une immense sympathie envers les Boers « de même souche » d’Afrique du Sud face aux « impérialistes britanniques », joua ici un rôle crucial.

Comme l’écrivait en août 1915 le ministre plénipotentiaire allemand aux Pays-Bas neutres et futur secrétaire d’État aux Affaires étrangères Richard von Kühlmann, l’objectif minimal de cette Flamenpolitik était d’« affaiblir durablement la Belgique en attisant les querelles entre Flamands et Wallons ». Le but de la Flamenpolitik était la fragmentation de la Belgique, afin de l’intégrer, à terme et avec les Pays-Bas, à l’Empire allemand. C’est bien pendant la Première Guerre mondiale que prit naissance ce projet grand-néerlandais — que l’auteur évoque lui aussi, mais dont il donne une interprétation totalement erronée.

Les collaborateurs « activistes » n’étaient certes pas nombreux, mais la majorité des autres flamingants refusèrent par la suite de se désolidariser d’eux, du moins totalement. L’occupant allemand avait ainsi durablement greffé un courant révolutionnaire et antibelge sur le mouvement « flamand » traditionnel. Ou, comme le rappellera plus tard l’écrivain Gerard Walschap: « L’activisme nous [c’est-à-dire les flamingants] divisa bien plus profondément que nous ne pouvons le comprendre aujourd’hui. Il choisit entre la Flandre et la Belgique, deux patries qui, jusqu’alors, étaient pour nous identiques et qui, soudain, à notre stupéfaction, étaient devenues des ennemis irréconciliables ».

Ce nationalisme se renforça encore pendant et après la Seconde Guerre mondiale, lorsqu’un groupe beaucoup plus important de flamingants collabora avec l’occupant nazi. Et comme la Belgique ne connut pas une dénazification approfondie, ces collaborateurs purent à nouveau exercer des fonctions politiques par la suite. Le ciment qui unissait les nationalistes flamingants était la revendication d’une amnistie. Dans leur vision de l’histoire, ils se considéraient comme les « victimes » de la « répression » exercée par un État belge « impitoyable ». Ce fait renforçait, ou faisait naître, bien entendu, leur haine inextinguible de la Belgique. Le terme répression a d’ailleurs été choisi par les flamingants tandis qu’en France et dans d’autres pays, on parle d’une épuration, terme plus neutre et favorable aux libérateurs.

Une nouvelle strate du nationalisme « flamand » vint s’ajouter dans les années 1960. Dans l’ensemble du monde occidental, des mouvements subnationaux émergèrent, remettant en question l’État-nation existant en raison de disparités économiques. Le mouvement « flamand » allait désormais en faire autant. Mais il ne fut pas le seul: le mouvement régionaliste « wallon » de gauche suivit la même voie, offrant ainsi aux nationalistes du Nord un allié objectif. Les « réformes » de l’État qui, à partir de 1970, institutionnalisèrent les problèmes communautaires et les exacerbèrent ont trouvé leur origine dans cette évolution.

Quelques affirmations réfutées

Selon l’auteur, toutefois, ces « réformes » de l’État auraient été l’expression de la volonté populaire. Il oublie cependant que le fédéralisme a été concocté lors d’une longue réunion entre particrates qui a eu lieu à l’automne 1969 (la réunion dite des 24) et qu’il n’est nullement le résultat d’un débat public ou d’un referendum, mais bien d’une violation de la Constitution ! D’ailleurs, toute « réforme » de l’État a été négociée comme un marchandage lors de réunions à huis clos, sans que le peuple soit consulté. Pendant les périodes pré-électorales, le thème restait souvent à l’arrière-plan et des promesses étaient même faites — notamment en matière de refédéralisations — que les partis reniaient ensuite.

Contrairement à la majorité des « Wallons » et des Bruxellois, affirme l’auteur, une large majorité des «Flamands » ne se considère en effet pas comme Belges. Dans cette lecture des faits, comme il le reconnaît lui-même, la volonté de l’élite politique coïnciderait donc avec celle de la population. Pourtant, aucun parti francophone n’a jamais mis sur la table la moindre proposition favorable à la Belgique lors des négociations sur une réforme de l’État, bien au contraire.

Déjà le 5 janvier 1967, Gaston Eyskens (CVP), un des « pères du fédéralisme » écrivait que, si un référendum était organisé pour demander aux Belges de choisir entre un État unitaire et un État fédéral, il était convaincu que la grande majorité de la population soutiendrait la première formule.

Même le « ministre-président » de la région « wallonne », Adrien Dolimont, a affirmé le 18 septembre 2026 dans L’Avenir que, s’il pouvait repartir d’une page blanche, il préférerait une Belgique unitaire dotée d’un seul gouvernement centralisé. Selon lui, cette organisation permettrait de gagner en efficacité, de réduire la complexité institutionnelle et de mieux identifier les responsabilités politiques. Si même le premier particrate « wallon » ne croit plus à son projet politique, il va de soi que la population n’y croit pas non plus, ou n’y croit plus. Affirmer que les « réformes » de l’État sont le résultat d’une volonté populaire est donc totalement incorrect. Encore plus fort, le Premier ministre de la Belgique et notoire séparatiste Bart De Wever a déclaré le 20 septembre à la RTBF que « personne ne parlait de la scission du pays » et qu’il ne savait pas dans quelle direction la prochaine « réforme » de l’État devait aller…

Le fait que quatre Belges néerlandophones sur dix — à notre connaissance, il ne s’agit donc pas d’une majorité — votent pour les partis séparatistes ne constitue nullement la preuve d’un enthousiasme généralisé pour la scission de la Belgique. Il est d’ailleurs frappant de constater que ces partis, et la N-VA en particulier, contrairement à ce qu’affirme Nisse, ne présentent pas ouvertement leur projet de scission de la Belgique. En 2024, le « ministre-président » « flamand » Jan Jambon a même déclaré qu’il ne pouvait promouvoir le séparatisme parce que la grande majorité des « Flamands » n’en voulait pas. Selon lui, même lorsqu’il était très optimiste ( ! ), il y avait 20 % de séparatistes dans la région « flamande ». Sachant que Jambon est un séparatiste radical, ce chiffre est évidemment largement exagéré. Plusieurs sondages ont effectivement démontré que la plupart des Belges sont favorables au retour à la Belgique unitaire, même 82 % selon un sondage de la RTBF d’avril 2024.

L’auteur écrit que le nombre de francophones augmente dans le Nord de la Belgique. Il affirme que le bilinguisme n’est « pas un vestige », mais « le reflet d’une diversité linguistique vivante ». Ce constat est exact et devrait précisément nous inciter à embrasser des ensembles multilingues tels que la Belgique. La question est alors de savoir pourquoi il souhaite détruire notre pays.

L’auteur soulève en outre que le référendum consultatif souhaité par la B.U.B. n’est pas prévu par la Constitution belge. Mais, en même temps, il se réfère à la Question Royale, qui démontre qu’une telle intervention est bel et bien possible. En effet, la Constitution n’interdit pas le référendum consultatif. Nous ne voyons pas davantage en quoi la Question Royale — au cours de laquelle sept des neuf provinces se prononcèrent en faveur du retour du Roi Léopold III — aurait démontré que la Belgique n’est pas une nation. Le référendum italien de 1946, avec un Nord républicain et un Sud monarchiste, n’aurait-il alors pas bien davantage démontré que l’Italie n’est pas une nation?

Il est également étrange que l’auteur affirme que la preuve du manque de caractère national de l’État belge résiderait dans le fait que la Belgique « n’est pas née de l’alliance de deux peuples ». En effet, la « Flandre » et la « Wallonie » sont des néo-créations politiques du Royaume de Belgique, qui possède des racines bien plus anciennes, antérieures à l’émergence des États modernes.

L’auteur affirme également que, dans un véritable fédéralisme, les entités fédérées confient des compétences à l’État. Cela est inexact. Ce qu’il décrit correspond à une confédération. Dans un État fédéral, c’est l’autorité centrale qui attribue des compétences aux entités fédérées. En revanche, ce qui distingue la Belgique des autres fédérations, c’est notamment l’absence de hiérarchie des normes, l’absence de partis fédéraux dominants et de médias nationaux, ainsi qu’une politique étrangère fragmentée. La question de savoir où se situent les « compétences régaliennes » n’a absolument aucune incidence sur la qualification d’un État fédéral ou non. S’il en allait autrement, l’Allemagne et les États-Unis, où des pans importants de la Justice et de la Sécurité relèvent du niveau des entités fédérées, ne pourraient pas être considérés comme des fédérations.

Le plus singulier, enfin, est que même si toutes les affirmations de l’auteur étaient exactes – quod certe non –, il n’en découlerait nullement que la France doive annexer de vastes parties de la Belgique. L’auteur parle, par euphémisme, d’une « réunion » avec la France. Or, il est vrai que la Belgique toute entière fit partie de la France entre 1794 et 1814, mais cela se produisit avant que la « Wallonie » n’existe en tant qu’entité politique. Le terme « Wallonie » ne se diffusa plus largement qu’à partir de 1886. Il ne peut donc être question de « réunification », à moins de vouloir faire violence à l’histoire. 

Qui plus est, dans des territoires qui avaient auparavant été intégrés à la France, comme Nice et la Savoie (1860) ou la Sarre (1935), l’avis de la population fut sollicité par référendum. Néanmoins, l’auteur entend refuser aux Belges un référendum sur leur propre structure de l’État.

On peut conclure que l’auteur entend attacher le sud de la Belgique à la France de façon dictatoriale, et donc sans se soucier de la volonté des habitants. Cette attitude n’est pas compatible avec une démocratie moderne. Même les indépendantistes catalans, écossais ou québécois ont plus de courage.

Hans Van de Cauter, président du B.U.B.
Bruno Yammine, historien KU Leuven, coordinateur du bureau d’études du B.U.B.

UNILINGUALER IMPERIALISMUS ODER MULTILINGUALER UNITARISMUS?

In einem am 18. September 2026 in Pan veröffentlichten Artikel mit dem Titel Le fantasme contre le réel [“Das Phantasma gegen die Realität”, B.U.B.] antwortet Louis Nisse auf unsere Tribüne Ein neues unitäres Belgien (Pan, 4. September 2026, Siehe diesen Link auf unserer Website). Wir haben seinen Meinungsbeitrag der Vollständigkeit halber unten veröffentlicht.

Er behauptet darin, den “flämischen” Nationalismus zu bekämpfen. Die beste Antwort, die er darauf zu geben weiß, besteht jedoch darin, einen expansionistischen französischsprachigen Nationalismus zu fördern. Der Autor beschränkt sich im Wesentlichen auf lange historische Entwicklungen, bevor er allzu kurz auf einige Punkte eingeht, die wir in unserer Argumentation dargelegt hatten.

Die Gründung des Königreichs Belgien

Die vom Autor vorgeschlagene historische Lesart ist nicht frei von Fehlern. So behauptet er, dass nicht Belgien, sondern die „flämische“ Region im Mittelalter entstanden sei. In Wirklichkeit ist Belgien, wie die meisten europäischen Staaten – mit Ausnahme insbesondere Italiens – durch die schrittweise Vereinigung eines heterogenen Ensembles von Fürstentümern entstanden. Diese wurden nach und nach immer stärker zentralisiert. In unseren Regionen war dieser Prozess das Werk der Burgunder, die nacheinander Flandern und Artois (1384), Namur (1421), Hennegau, Holland und Zeeland (1428), Brabant (1430) und Luxemburg (1441) zu einer einzigen Einheit zusammenführten. Diese Territorien – und nicht die Grafschaft Flandern, dass der Autor es zu Unrecht mit dem heutigen “Flandern” verwechselt – bildeten den Kern dessen, was später das Königreich Belgien werden sollte. Was das hier erwähnte Flandern betrifft, so handelte es sich um die Grafschaft Flandern, die heute den belgischen Provinzen Ostflandern und Westflandern sowie Französisch-Flandern und Zeeland entspricht. Im Übrigen widerspricht der Autor seiner eigenen These, wenn er zutreffend behauptet, dass „sich vor 1830 eine belgische Identität […] in den Südlichen Niederlanden langsam herausgebildet hatte“.

Es ist ebenfalls hervorzuheben, dass keines der Fürstentümer, die später Teil des Königreichs Belgien werden sollten, einsprachig war, nicht einmal das Fürstbistum Lüttich. Letzteres umfasste übrigens auch die zukünftige Provinz Limburg, was der Autor verschweigt, und verwandelte sich – wie er in Erinnerung ruft – vorübergehend in eine Lütticher Republik. Bezüglich dieser Republik muss überdies klargestellt werden, dass es Ende des 18. Jahrhunderts keineswegs eine günstige Mehrheit für die Annexion an Frankreich gab. Historische Forschungen zeigen, dass nur ein Fünftel der männlichen Bevölkerung des ehemaligen Fürstbistums dieses politische Projekt unterstützte.

Die erste belgische Revolution fand 1789 unter dem Namen Brabantische Revolution statt, auch wenn sie weitere Provinzen Belgiens wie Namur, Flandern und Hennegau betraf. Sie führte am 11. Januar 1790 zur flüchtigen Schaffung einer belgischen republikanischen Konföderation unter dem Namen „Vereinigte Belgische Staaten“. In Wirklichkeit hat der 11. Januar ebenso viel Grund, einen belgischen Nationalfeiertag zu bilden, wie der 4. Oktober (1830) oder der 21. Juli (1831). Die Tatsache, dass das ehemalige Fürstbistum Lüttich nicht Teil dieser Republik war, ändert nichts daran, dass es sich hierbei um die erste Unabhängigkeit Belgiens handelt. Andernfalls müsste man behaupten, die Vereinigten Staaten seien erst 1959 entstanden, als der 50. Staat (Hawaii) dem Land beitrat. Es gibt jedoch niemanden auf der Welt, der eine solche These vertritt.

Die (zweite) belgische Revolution, die vierzig Jahre später stattfand, war ein nationaler Aufstand. Es ist gewiss richtig, dass Lütticher an der Vertreibung der niederländischen Truppen teilnahmen. Dies widerspricht im Übrigen der vorherigen These des Autors, wonach sich die Lütticher nicht für Belgien interessiert hätten. Allerdings ist die Behauptung, sie „seien quasi die Einzigen gewesen“, die den Brüsselinern zu Hilfe kamen, historisch unrichtig, da die Revolution in ganz Brabant (Brüssel, Löwen, Tienen, Nivelles), in Flandern, im Hennegau, in Namur und in Luxemburg begann. Es ist historisch ebenfalls nicht richtig, dass das Angebot der belgischen Krone an den Sohn des französischen Königs, den Herzog von Nemours, durch die vorläufige Regierung Belgiens den Beweis für einen klaren Willen dieses Organs darstellen würde, Belgien an Frankreich anzugliedern. Während der Debatten im Nationalkongress, die der Wahl des Herzogs gewidmet waren, wurde wiederholt betont, dass ein französischer Prinz die Unabhängigkeit und die territoriale Integrität Belgiens zu respektieren habe.

Es muss festgestellt werden, dass das Vereinigte Königreich eine wichtige Rolle bei der Wahl des neuen Monarchen gespielt hat. Es ist in der Tat unbestreitbar, dass London über einen enormen diplomatischen Einfluss in den kontinentalen Angelegenheiten verfügte. Dennoch ist es übertrieben, von einem britischen “Veto-Recht“ zu sprechen, wie es der Autor tut. Die These, die er vertritt, entspricht vor allem einem politischen Ziel: nämlich die Entstehung des Königreichs Belgien als das Resultat einer britischen und antifranzösischen Initiative darzustellen.

Die Entwicklung der “flämischen” Bewegung innerhalb Belgiens

Warum hat sich folglich eine „flämische“ Bewegung innerhalb Belgiens entwickelt? Erstens, weil radikale Patrioten, die für die belgische Sache gewonnen waren, mitgerissen von der durch die belgische Revolution ausgelösten Begeisterung, danach zu suchen begannen, was Belgien zu einer wahrhaft belgischen Nation machte.

Die niederdeutsche Volkssprache („Nederduits“) bildete hierfür natürlich ein wichtiges Element. Erst danach traten politische Forderungen in sprachlichen Angelegenheiten auf. Die ersten Generationen Flaminganten waren größtenteils konservativ und katholisch inspiriert, was eine gewisse Spannung mit der „wallonischen“ Bewegung liberaler und antiklerikaler Prägung schuf. Aber es gab keinen Bruch mit dem belgischen Staat. Vor 1914 existierte nämlich keine einzige flamingantische Druckgruppe, Partei, keine Periodika und keine Tageszeitung, die gleichzeitig flamingantisch und antibelgisch war.

Der Erste Weltkrieg sollte die Lage verändern. Er rief überall soziale und nationale Revolutionen hervor. In unseren Regionen wurde dieser Prozess bewusst von der deutschen Besatzungsmacht gefördert, die über ihre Flamenpolitik versuchte, die „flämische“ Bewegung zu instrumentalisieren. Die relativ kleine Gruppe, die sich an dieser Kollaboration beteiligte, wurde als “Aktivisten“ bezeichnet. In ihrer Politik konnte die deutsche Besatzungsmacht bei diesen flamingantischen Aktivisten das Gefühl einer germanischen Abstammung sowie die Frustrationen ausnutzen, die innerhalb der “flämischen“ Bewegung angesichts einer Sprachgesetzgebung bestanden, die nach Ansicht mancher Anhänger dieser Strömung zu langsam vorankam.

Der Autor erwähnt auch die Frankophobie der “flämischen“ Bewegung. Diese war zweifellos real. Aber es gab auch eine Anglophobie. Viele Flaminganten sahen es mit Misstrauen, dass Belgien nach der deutschen Invasion nicht nur an der Seite Frankreichs, sondern auch an der Seite des Vereinigten Königreichs kämpfte. Die Erinnerung an den Burenkrieg (1899–1902), der eine immensen Sympathie für die “stammverwandten” Buren in Südafrika gegenüber den “britischen Imperialisten” geweckt hatte, spielte hier eine entscheidende Rolle.

Wie der deutsche bevollmächtigte Minister im neutralen die Niederlande und spätere Staatssekretär des Auswärtigen Amtes Richard von Kühlmann im August 1915 schrieb, bestand das Minimalziel dieser Flamenpolitik darin, “durch Unterstreichung der flämisch-wallonischen Zwistigkeiten (Belgien) dauernd zu schwächen”. Hauptziel der Flamenpolitik war, ein fragmentiertes Belgien zu schaffen, um es langfristig und zusammen mit den Niederlanden in das Deutsche Reich zu integrieren. Das großniederländische Projekt – das der Autor ebenfalls erwähnt, dem er jedoch eine völlig falsche Interpretation gibt – entstand sehr wohl während des Ersten Weltkriegs.

Die „aktivistischen“ Kollaborateure waren gewiss nicht zahlreich, aber die Mehrheit der anderen Flaminganten weigerte sich im Anschluss, sich von ihnen zu distanzieren, zumindest nicht vollständig. Die deutsche Besatzungsmacht hatte der traditionellen „flämischen“ Bewegung somit nachhaltig eine revolutionäre und antibelgische Strömung aufgepfropft. Oder, wie der Schriftsteller Gerard Walschap später in Erinnerung rufen sollte: „Der Aktivismus spaltete uns [das heißt die Flaminganten, B.U.B.] viel tiefer, als wir es heute begreifen können. Er wählte zwischen Flandern und Belgien, zwei Vaterländern, die bis dahin für uns identisch waren und die plötzlich zu unserem Erstaunen zu unversöhnlichen Feinden geworden waren”.

Dieser Nationalismus verstärkte sich während und nach dem Zweiten Weltkrieg noch weiter, als eine viel größere Gruppe von Flaminganten mit der Nazi-Besatzungsmacht kollaborierte. Und da Belgien keine gründliche Entnazifizierung erlebte, konnten diese Kollaborateure später wieder politische Ämter ausüben. Das Zement, das die flamingantischen Nationalisten einigte, war die Forderung nach einer Amnestie. In ihrer Geschichtssicht sahen sie sich als “Opfer” der “Repression” durch einen “erbarmungslosen” belgischen Staat. Dies verstärkte oder ließ natürlich ihren unauslöschlichen Hass auf Belgien entstehen. Der Begriff Repression wurde im Übrigen von den Flaminganten gewählt, während man in Frankreich und anderen Ländern von einer Säuberung spricht, einem neutraleren Begriff, der den Befürwortern zugutekommt.

Eine neue Schicht des “flämischen” Nationalismus kam in den 1960er Jahren hinzu. In der gesamten westlichen Welt entstanden subnationale Bewegungen, die den bestehenden Nationalstaat aufgrund wirtschaftlicher Disparitäten infrage stellten. Die “flämische” Bewegung tat fortan dasselbe. Aber sie war nicht die einzige: Die linksgerichtete regionalistische „wallonische“ Bewegung folgte demselben Weg und bot den Nationalisten des Nordens somit einen objektiven Verbündeten. Die “Reformen” des Staates, die ab 1970 die communautären Probleme institutionalisierten und verschärften, fanden ihren Ursprung in dieser Entwicklung.

Einige widerlegte Behauptungen

Laut dem Autor sollen diese staatlichen “Reformen” jedoch der Ausdruck des Volkswillens gewesen sein. Er vergisst dabei jedoch, dass der Föderalismus während eines langen Treffens zwischen Partikraten im Herbst 1969 (das sogenannte Treffen der 24) ausgeheckt wurde und keineswegs das Ergebnis einer öffentlichen Debatte oder eines Referendums ist, sondern vielmehr das Ergebnis eines Verfassungsbruchs. Übrigens wurde jede staatliche “Reform” wie ein Kuhhandel bei Treffen hinter verschlossenen Türen ausgehandelt, ohne dass das Volk konsultiert wurde. Während der Vorwahlzeiten blieb das Thema oft im Hintergrund und es wurden sogar Versprechen gemacht – insbesondere in Bezug auf Reföderalisierungen –, die die Parteien anschließend wieder verleugneten.

Im Gegensatz zur Mehrheit der „Wallonen“ und Brüsseler, so behauptet der Autor, betrachte eine große Mehrheit der “Flamingen” sich in der Tat nicht als Belgier. In dieser Lesart der Fakten würde, wie er selbst zugibt, der Wille der politischen Elite also mit dem der Bevölkerung übereinstimmen. Dennoch hat keine einzige französischsprachige Partei jemals auch nur den geringsten für Belgien günstigen Vorschlag bei den Verhandlungen über eine Staatsreform auf den Tisch gelegt, ganz im Gegenteil.

Bereits am 5. Januar 1967 schrieb Gaston Eyskens (CVP), einer der “Väter des Föderalismus”, dass er überzeugt war, dass die große Mehrheit der Bevölkerung die erste Formel unterstützen würde, falls ein Referendum organisiert würde, um die Belgen zwischen einem unitären und einem föderalen Staat wählen zu lassen.

Sogar der “Ministerpräsident” der „wallonischen“ Region, Adrien Dolimont, erklärte am 18. September 2026, wenn er von einem weißen Blatt Papier anfangen könnte, würde er ein unitäres Belgien mit einer einzigen zentralisierten Regierung bevorzugen. Seiner Ansicht nach würde diese Organisation es ermöglichen, an Effizienz zu gewinnen, die institutionelle Komplexität zu verringern und politische Verantwortlichkeiten besser zu identifizieren. Wenn selbst der oberste “wallonische” Parteienkrat nicht mehr an sein politisches Projekt glaubt, versteht sich von selbst, dass auch die Bevölkerung nicht mehr daran glaubt. Zu behaupten, die staatlichen “Reformen” seien das Ergebnis eines Volkswillens, ist daher völlig inkorrekt. Noch stärker: Der Premierminister Belgiens und notorische Separatist Bart De Wever erklärte am 20. September 2026 Tag im RTBF, dass “niemand über die Spaltung des Landes sprach” und dass er nicht wisse, in welche Richtung die nächste Staatsreform gehen müsse.

Die Tatsache, dass vier von zehn niederländischsprachigen Belgiern – unserer Kenntnis nach also keine Mehrheit – für separatistische Parteien stimmen, stellt keineswegs den Beweis für eine allgemeine Begeisterung für die Spaltung Belgiens dar. Es ist zudem auffällig festzustellen, dass diese Parteien, und die N-VA im Besonderen, entgegen den Behauptungen von Nisse ihr Projekt zur Spaltung Belgiens nicht offen präsentieren. Im Jahr 2024 erklärte der “flämische” “Ministerpräsident” Jan Jambon sogar, er könne den Separatismus nicht fördern, weil die große Mehrheit der “Flamingen” ihn nicht wolle. Seiner Ansicht nach habe es selbst bei großer Optimismus (!) 20% Separatisten in der “flämischen” Region gegeben. In dem Wissen, dass Jambon ein radikaler Separatist ist, ist diese Zahl offensichtlich stark übertrieben. Mehrere Umfragen haben tatsächlich gezeigt, dass die meisten Belgier eine Rückkehr zum unitären Belgien befürworten, laut einer RTBF-Umfrage vom April 2024 sogar 82%.

Der Autor schreibt, dass die Zahl der Francophonen im Norden Belgiens zunimmt. Er behauptet, dass die Zweisprachigkeit “kein Relikt”, sondern “das Spiegelbild einer lebendigen sprachlichen Vielfalt” sei. Diese Feststellung ist exakt und sollte uns gerade dazu anregen, multilinguale Gebilde wie Belgien zu umarmen. Die Frage ist dann, warum er unser Land zerstören will.

Der Autor bringt zudem vor, dass das von der B.U.B. erwünschte konsultative Referendum in der belgischen Verfassung nicht vorgesehen ist. Gleichzeitig bezieht er sich jedoch auf die Königsfrage, die zeigt, dass ein solcher Eingriff sehr wohl möglich ist. Die Verfassung verbietet das konsultative Referendum nämlich nicht. Wir sehen auch nicht ein, inwiefern die Königsfrage – während derer sich sieben der neun Provinzen für die Rückkehr von König Leopold III. aussprachen – gezeigt haben soll, dass Belgien keine Nation ist. Hätte das italienische Referendum von 1946 mit einem republikanischen Norden und einem monarchistischen Süden nicht vielmehr bewiesen, dass Italien keine Nation ist?

Es ist ebenfalls seltsam, dass der Autor behauptet, der Beweis für den Mangel an nationalem Charakter des belgischen Staates liege in der Tatsache, dass Belgien “nicht aus dem Bündnis zweier Völker hervorgegangen ist”. In der Tat sind “Flandern” und “Wallonien” Neuschöpfungen des Königreichs Belgien, welches viel ältere Wurzeln besitzt, die dem Entstehen der modernen Staaten vorausgehen.

Der Autor behauptet außerdem, dass in einem echten Föderalismus die geförderten Entitäten der Staat Kompetenzen übertragen. Dies ist ungenau. Was er beschreibt, entspricht einer Konföderation. In einem föderalen Staat ist es die Zentralgewalt, die den geförderten Entitäten Kompetenzen zuweist. Was Belgien jedoch von anderen Föderationen unterscheidet, ist insbesondere das Fehlen einer Normenhierarchie, das Fehlen dominanter föderaler Parteien und nationaler Medien sowie eine fragmentierte Außenpolitik. Die Frage, wo sich die “compétences régaliennes” befinden, hat absolut keinen Einfluss auf die Qualifikation eines Staates als Bundesstaat oder nicht. Wäre es anders, könnten Deutschland und die Vereinigten Staaten, wo wichtige Bereiche der Justiz und Sicherheit auf der Ebene der geförderten Entitäten liegen, nicht als Föderationen betrachtet werden.

Das Merkwürdigste schließlich ist, dass selbst dann, wenn alle Behauptungen des Autors zuträfen – quod certe non –, daraus keineswegs folgen würde, dass Frankreich weite Teile Belgiens annektieren müsse. Der Autor spricht euphemistisch von einer “Wiedervereinigung” mit Frankreich. Nun ist es zwar wahr, dass ganz Belgien zwischen 1794 und 1814 Teil Frankreichs war, aber dies geschah, bevor „Wallonien“ als politische Entität existierte. Der Begriff „Wallonien“ verbreitete sich erst ab 1886 in größerem Umfang. Von einer “Wiedervereinigung” kann also keine Rede sein, es sei denn, man möchte der Geschichte Gewalt antun.

Darüber hinaus wurde in Gebieten, die zuvor in Frankreich integriert worden waren, wie Nizza und Savoyen (1860) oder das Saarland (1935), die Meinung der Bevölkerung per Referendum eingeholt. Dennoch beabsichtigt der Autor, den Belgiern ein Referendum über ihre eigene Staatsstruktur zu verweigern.

Man kann schlussfolgern, dass der Autor den Süden Belgiens auf diktatorische Weise an Frankreich binden will und sich somit nicht um den Willen der Einwohner kümmert. Diese Haltung ist mit einer modernen Demokratie nicht vereinbar. Selbst die katalanischen, schottischen oder frankokanadischen Unabhängigkeitsbefürworter haben mehr Mut.

Hans Van de Cauter, Vorsitzender der B.U.B.

Bruno Yammine, Historiker KU Leuven, Koordinator des Studienbüros der B.U.B.

Le fantasme contre le réel

« Une nouvelle Belgique unitaire », article du B.U.B. paru dans le PAN du 4 septembre 2026, s’appuie sur une lecture biaisée de l’Histoire et ignore la puissance, la constance, l’obstination têtue du fanatisme du mouvement flamand. En outre, si on peut partager certaines critiques du dysfonctionnement de nos institutions voire de leur gabegie, prôner le retour à la Belgique unitaire est un projet hors-sol, tout à fait irréaliste. Et néfaste : se bercer de ce rêve ne peut mener les Bruxellois et les Wallons qu’à un réveil douloureux. En politique, un idéal doit se colleter avec le réel. Et « le réel, c’est quand on se cogne » nous a dit Jacques Lacan.

Une leçon d’Histoire ou une belle histoire ad usum Belgicanei * ?

Les auteurs de l’article nous ont épargné Jules César et son « de tous les peoples de la Gaule, les Belges sont les plus braves », puisque ça aurait exclu les Flamands, qui arrivèrent plusieurs siècles plus tard. Et la Belgica romana, qui s’étendait du Rhin à la Seine et dont la capitale était Durocortorum (Reims). Ils ont raison aussi de ne pas tirer argument de la bataille des Éperons d’Or, car, à Bruges, nous assistons à la première manifestation d’un patriotisme urbain, lié au fief, s’inscrivant dans la logique féodale, où chacun rameute ses alliances naturelles, de sang. Ainsi, dans cette guerre entre le roi de France et les corporations brugeoises, les Gantois n’interviendront-ils pas, qui pourtant, eux aussi, sont flamands et sujets du comte de Flandre.

Mais ces bons Belges du B.U.B. ont tort de ne pas évoquer l’usage anachronique que fit Henri Conscience de cette bataille : c’est contre la France et la langue française que se fonde la nation flamande du XIXe siècle romantique ; c’est le Lion du drapeau du comte de Flandre qui devient le drapeau de toute la nation flamande, c’est le 11 juillet, date de la bataille des Éperonsd’or, qui est le jour de la fête nationale des Flamands. Le mythe fondateur de la nationflamande s’ébauche autour d’un ennemi commun : le francophone. Que ces Messieurs du B.U.B. aillent donc, en toute fraternité, proposer aux Flamands de changer de date. Il y a fort à parier que ces derniers ne leur proposent le 18 mai, date anniversaire des Matines brugeoises..

« Ce qui constitue aujourd’hui le Royaume de Belgique forme déjà depuis six siècles un espace politique et socio-économique » écrivent ces unitaristes. Il ne s’agit pas de Belgique mais de Flandre ! Au Moyen Âge et au début des Temps modernes, le comté de Flandre étant un fief du roi de France, le volume des documents administratifs rédigés enfrançais y varia de trente à soixante pour cent. Néanmoins, seule la haute noblesse – Gui de Dampierre, Charles Quint… – parlait français comme langue maternelle. En plus du français langue seconde et des dialectes flamands, pour la vie quotidienne, les classes dirigeantes et l’élite utilisèrent de plus en plus une langue de culture commune : à Gand, à Bruges, comme à Anvers ou à Bruxelles – ville flamande… –, commença à s’imposer le néerlandais, la langue des Hollandais d’Amsterdam et de La Haye, ressentie comme une noble sœur, riche et instruite, par ses nombreux frères, garnements qui s’entendaient parfois mal entre eux, les roturiers patois flamands. L’arrivée des Espagnols porta un coup sévère à cette koinè de la Grande-Néerlande dans les Pays-Bas méridionaux. En effet, 150.000 Flamands calvinistes, une bonne part de l’élite économique et intellectuelle, durent se réfugier aux Pays-Bas du Nord. Sur les 80.000 habitants que comptait le port d’Anvers, la plus grande ville des Pays-Bas et le premier port du monde, il n’en resta que 40.000 après sa prise par Alexandre Farnèse, en 1585. Le pays flamand avaient été largement conquis par la Réforme protestante au XVIe siècle. Les Flamands sont catholiques aujourd’hui parce qu’ils ont été persécutés et décimés il y a quatre siècles. La vérité historique est gênante. On préfère glisser discrètement sur cette tragédie qui est une des origines lointaines du malaise flamand contemporain. (Bart de Wever s’en souvient, lui, qui préférerait mourir néerlandais plutôt que belge. En effet, sans être condamné par la Flandre, à moultes reprises il s’est montré favorable à la grande Néerlande. Ce n’est pas un doux rêveur, mais un génial tacticien. Et il est à la tête de notre État ! Un loup berger.) Dans les régions flamandes, le néerlandais périclita, d’autant qu’il était ressenti comme anticatholique. Donc, ce que les auteurs de l’article mentionnent comme étant l’embryon du royaume de Belgique est, en fait, celui de la Région flamande !

Cette vue partisane de l’histoire promue par B.U.B. gomme la présence – ô combien gênante ! – de Liège et de sa Principauté. Même Henri Pirenne n’osa pas aller jusque-là ! Pourtant cet historien aimé des Belgicains utilisa l’Histoire pour tenter de légitimer une Belgique déjà menacée par le mouvement flamand. Son Histoire de Belgique inocula dans nos manuels scolaires un roman national. Évidemment, ces patriotes belges unitaristes évoquent la bigote révolution brabançonne qui chassa Joseph II – cet empereur éclairé avait eu le culot de demander à l’Église de payer l’impôt – et qui proclama la République des États belgiques unis. Mais nos braves Belges ne mentionnent ni la République Liégeoise – elle précéda la française ! – qui, animée par les Lumières venues de France, tint tête près de deux ans aux Autrichiens, ni le 17 février 1793, quand la Convention nationale liégeoise vota à l’unanimité le rattachement de Liège à la République Française. Pas un mot non plus sur les 3000 volontaires de la Légion liégeoise : partis de Paris où ils s’étaient réfugiés, aux côtés du général Dumouriez ils vainquirent les Autrichiens à Jemappes. Nos partisans de la Belgique d’arrière-grand- papa semblent ignorer qu’en 1830, c’est en chantant la Marseillaise que les Liégeois ont aidé les Bruxellois à chasser les Hollandais – ils furent quasiment les seuls – et que mes compatriotes tenaient des postes-clés dans le gouvernement provisoire qui proposa la couronne du nouvel État au fils de Louis-Philippe, ce qui exprimait clairement leur désirde le rattacher à la France. Les Anglais le comprirent immédiatement. Le refus imposé à la France par leur veto nous poussera à nous rabattre sur sa fille Louise-Marie, unie à un roi acceptable par la diplomatie européenne.

Paradoxalement – ou logiquement – cette proximité eut pour conséquence de pousser le nouvel État à chercher à consolider ses fragiles fondations sur une exacerbation de ses différences avec son voisin français, chose naturelle pour la Flandre mais beaucoup moins pour la Wallonie. Ce choix suscita le développement d’une véritable gallophobie dans le chef des autorités belges et de leurs servants. Elle se nourrit des réticences momentanées des libéraux face à l’autoritarisme conservateur de Napoléon III ainsi que de l’aversion durable des conservateurs catholiques envers la France républicaine et laïque. (Ainsi, récemment encore, suis-je intervenu auprès de braves guides touristiques liégeois, bénévoles et très cathos, qui véhiculaient la légende tenace des méchants Français démolisseurs de notre cathédrale Saint-Lambert, alors que ce fut une décision prise uniquement par les Liégeois pour se venger de leurs chanoines qui vivaient dans le luxe, se gobergeaient, mais refusaient de payer l’impôt alors que le peuple de Liège avait faim.) Cette gallophobie se nourrit aussi de la haine générale de la Flandre envers l’incarnation de la langue française qui l’opprimait et, plus globalement, de la volonté de distanciation de tous les patriotes entrés au service d’un État qui laissait sceptique et se cherchait des éléments d’une identité propre pour justifier son existence. Ce parti pris nationaliste percola depuis les travaux historiques ou pseudo-historiques vers les manuels scolaires – mon essai en est illustré d’exemples tirés de mes livres et cahiers d’écolier des années 50 – et les écrits grand public, pour constituer la doxa francophone (officielle) jusqu’au début des années 1960 quand, à l’instar de l’État unitaire, elle fut manifestement dépassée par les faits. Bien qu’on en trouve aujourd’hui encore des traces çà et là, dans les débordements collectifs entretenus autour des coupes du monde de football ou dans les discours néo-unitaristes comme celui de cet article d’arrière-garde que je m’amuse à critiquer.

Cependant, j’ai à cœur de ne pas trop malmener les auteurs de cette tribune que j’examine. Ce sont sûrement de braves gens, certes un peu perchés mais sincères. L’amour de la patrie est un sentiment respectable, et, comme pour tout sentiment, les explications ne peuvent pas en faire le tour; d’ailleurs, un sentiment n’a pas à se justifier. (Un parti politique, lui, le doit…) Aussi, pour les quelques lignes du prochain paragraphe, vais-je abandonner le ton du pamphlet un tantinet méchant, si cher à PAN.

Souvent mal posée, la question de l’identité belge est complexe. Certes, la notion moderne de Belgique, comme celles d’État ou de Nation, émerge au XIXe siècle. Ça ne signifie pas qu’avant 1830, une identité belge ne s’était pas lentement construite dans les Pays-Bas du Sud. À l’exception, dans une certaine mesure, de la principauté de Liège.

Bien que cet esprit principautaire, qui agace bien des Wallons, soit peut-être plus le produit de notre glorieux XIXe siècle liégeois qui réécrivit notre histoire qu’une réalité de l’Ancien Régime. Dans Wallonie Française!, mon essai engagé et polyphonique qui tente d’être honnête et d’éviter les contre-vérités partisanes sans pour autant prétendre être une référence scientifique, je dois reconnaître que j’ai été tenté de projeter dans le passé des préoccupations voire des luttes du présent. Ai-je cédé à cette tentation ? Pourquoi pas une lettre à Saint-Nicolas ?

Ma réponse aux propositions politiques du B.U.B pourrait être lapidaire : elles relèvent de la pure science-fiction et manifestent une naïveté coupable, car nuisible aux intérêts non seulement des Wallons, mais de tous les francophones de ce pays. Pour bien développer mes arguments, je devrais abuser de l’espace que m’offre PAN. Aussi, vais-je vous les proposer en vrac. Avec ma petite équipe, je me ferai un plaisir d’argumenter et de préciser la position des réunionistes (ou rattachistes, si vous préférez) lors du débat qui suivra ma conférence du 1er octobre à Woluwe-Saint-Lambert.

Mes remarques, les voici donc, un peu comme au débotté.

– D’emblée, faisons un sort à la vieille rengaine du pays réel, d’une élite politique qui trahirait les bons Belges lors « d’obscures conférences », d’un État qui ne reflèterait « en aucun cas l’expression de la volonté populaire ». Si la plupart des Wallons et des Bruxellois se définissent hélas ! d’abord comme Belges, ce n’est pas du tout le cas d’une large majorité de Flamands : ils se disent d’abord flamands et plébiscitent des personnalités de la NVA et du Vlaams Belang affichant leur projet de rendre la Flandre indépendante. Depuis 1970, il y eut 6 réformes de l’État, traduction politique des majorités issues des urnes, tant au Nord qu’au Sud du pays.

– « La frontière linguistique et les facilités linguistiques seraient maintenues » dans la Belgique unitaire que B.U.B. appelle de ses vœux. Ah la bonne heure ! Dans ses rapports annuels, Kind en Gezin (Enfance et Famille, l’ONE flamande) fait le constat qu’en Flandre, le pourcentage de mères s’adressant en français à leurs nouveau-nés a augmenté de 50 % de 2005 à 2024, passant de 4,2 % à 6,5 % ! Kind en Gezin révèle donc ce que l’interdiction en 1961 du recensement linguistique avait tenté de dissimuler. Ces données, mises à jour chaque année, indiquent la langue d’éducation des jeunes enfants dans toutes les communes de Flandre. Ce n’est donc pas une estimation ou un souvenir du passé, mais une réalité actuelle et mesurée par l’administration flamande elle-même. Le bilinguisme n’est pas un vestige : il reste le reflet d’une diversité linguistique bien vivante. Or, les Flamands refusent de reconnaître des droits linguistiques et culturels àl’importante minorité francophone de Flandre. Quelque 6% des Flamands sont des fantômes dans leur propre pays ! La Belgique a d’ailleurs été condamnée par l’Europe pour n’avoir ratifié ni la Charte européenne des langues régionales et minoritaires ni la Convention-cadre du Conseil de l’Europe pour la protection des minorités nationales. Non contents de nier l’existence des quelque 600.000 francophones de Gand, d’Anvers et de partout en Flandre, non contents de leur refuser tout droit culturel et de les discriminer, les nationalistes flamands veulent éliminer le français des communes à facilités. Or, supprimer les facilités, c’est nier une réalité, c’est ruiner un pilier du compromis communautaire belge. Aujourd’hui, ils s’en prennent à Renaix ; bientôt ce sera à nouveau le tour des communes de la périphérie bruxelloise. Puis, usant d’une ruse alléchante pour la population précarisée de Bruxelles, ils reflamandiseront cette ville qui est leur capitale. Dieu sait qu’ils sont persévérants.

– Le « référendum consultatif » souhaité par B.U.B n’est pas inscrit dans la Constitution et ne risque pas d’y figurer un jour, vu l’expérience de la question royale qui mit en lumière la grande distance qui sépare nos deux communautés. Cette consultation populaire prouva que la Belgique n’est pas une nation, comme définie par Ernest Renan. C’est que l’État belge n’est pas né de l’alliance de deux peuples, de leur volonté de vivre ensemble et de partager les mêmes rêves. Il ne procède pas du contrat de vie commune qu’ils auraient scellé à cette occasion.

– Le fédéralisme à la belge n’est pas un vrai fédéralisme, celui où des Régions confient à l’État des compétences. En effet, toutes les compétences régaliennes sont restées fédérales afin que la Flandre, majoritaire, puisse garder la mainmise sur l’État. Durant le débat, nous en donnerons des exemples vivants.

– Nous sommes pour la réunion de la Wallonie à la France et donc républicains.

– Nous voulons que Bruxelles et sa Région aient le choix de leurs décisions, donc de leur statut.

Après avoir lu le brouillon de cet article, un vieil ami bruxellois très attaché à la Belgique me dit, non sans malice, que le projet de réunir la Wallonie à la France lui paraissait tout aussi irréaliste que celui du B.U.B. d’en revenir à une Belgique unitaire. Il est possible qu’il ait raison. Aussi, puis-je proposer aux unitaristes d’écrire une lettre à Saint-Nicolas ; nous aussi, les réunionistes, nous lui écririons. Peut-être que le grand saint exaucerait les vœux d’un des deux camps.

Je vous invite donc à ma CONFÉRENCE-DÉBAT du jeudi 1er octobre à 18 h, dans la salle de conférence de l’hôtel de ville de Woluwe-Saint-Lambert. Invité par la Maison de la Laïcité de Bruxelles Lucia de Brouckère, j’y présenterai mon livre WALLONIE FRANÇAISE ! et vous le dédicacerai. Je veillerai à ce que ma conférence soit brève pour laisser du temps au DÉBAT.

Durant ce débat, je serai secondé par deux amis réunionistes que vous pourrez interroger : un Belge habitant la France depuis de nombreuses années et un Wallon bien au fait de nos problèmes économiques et institutionnels.

* J’ai remplacé Delphini par Belgicanei: à l’usage du Belgicain. Pour le consoler, j’ai fait entrer ce dernier dans le vocabulaire de notre grande langue morte.

Louis Nisse