DE RAMPZALIGE DRUGSOORLOG VAN DE N-VA – LA GUERRE DESASTREUSE CONTRE LA DROGUE MENÉE PAR LA N-VA – DER DESASTRÖSE DROGENKRIEG DER N-VA

Afbeelding – Image – Bild: Het gefaalde Antwerpse anti-drugsbeleid van de N-VA – La politique antidrogue de la N-VA à Anvers, un échec – Die gescheiterte Drogenpolitik der N-VA in Antwerpen

Bron – Source – Quelle: A.I.

HET VERSNIPPERDE BELGIE IS EEN RAMP VOOR DE VEILIGHEID

In 2013 kondigde Bart De Wever (N-VA), vandaag Belgisch premier en toen net Antwerps burgemeester met veel bombarie aan dat er een “war on drugs” (in het Nederlands, waar de flaminganten traditioneel lak aan hebben: drugsoorlog) zou gelanceerd worden. Later werd die vermeende strijd ook op nationaal niveau doorgetrokken. Het resultaat is echter een grote teleurstelling.

Het falende Antwerps beleid

In Antwerpen koos de N-VA voor een uiterst repressieve aanpak: nultolerantie op straat, het sluiten van drugspanden, versterking van de lokale politie en een vraag aan de nationale overheid voor meer middelen inzake justitie en de havencontrole. Nochtans daalde de drugshandel niet, integendeel. Er worden wel meer spectaculaire en mediagenieke vangsten gedaan, maar structureel veranderde er niets. Meer nog, de reeds alomtegenwoordige terreur (granaataanslagen, schietpartijen…) tegen havenarbeiders, politie en justitie bleef toenemen.

Wat is er dan aan de hand? Allereerst viseert men te Antwerpen kleine straathandelaars, terwijl grote kartels en witwasoperaties buiten schot blijven. Ten tweede ligt de nadruk er louter op repressie, niet op preventie. Voorts zijn Justitie en Politie overbelast. Maar, even belangrijk: er kunnen gewoon onvoldoende nationale middelen ingezet worden.

Een tekort aan nationale middelen en een versnipperd drugsbeleid

Het geld is in België wel in overvloed aanwezig, maar het zit door de Bijzondere Financieringswet geblokkeerd bij de overgesubsidieerde, peperdure, overbodige, polariserende, inefficiënte en ongrondwettelijke gemeenschappen en gewesten. Zo ligt het totale budget voor politie en justitie op ca. 5 miljard euro per jaar, terwijl de financiële middelen die in België in de drugsmarkt circuleren méér dan 20 miljard euro per jaar bedragen. Het merendeel daarvan maakt deel uit van de criminele geldstroom die via Antwerpen vloeit. De N-VA heeft die trend allerminst omgebogen.

Ook de federale staatsstructuur zelf werkt remmend op een efficiënt drugsbeleid. Dat is immers versnipperd over verschillende bevoegdheidsniveaus. Zo is het nationale niveau bevoegd voor repressie, het strafrecht en een aantal bevoegdheden inzake volksgezondheid en medicatie. Maar ook de gemeenschappen hebben bevoegdheden die met het drugsbeleid te maken hebben. Zo bijvoorbeeld de preventie, de re-integratie van gedetineerden en aspecten van de geestelijke gezondheidszorgen. Om het nog ingewikkelder te maken, kunnen ook de gewesten het drugsbeleid beïnvloeden door hun bevoegdheden inzake stedenbouw (bv. de sluiting van drugspanden), begeleidingsvoorwaarden inzake de arbeidsmarkt i.v.m. problematisch middelengebruik of drugsgerelateerde sensibiliseringscampagnes inzake verkeersveiligheid.

En omdat er in België geen normenhiërarchie bestaat, moeten alle bestuursniveaus voortdurend onderhandelen in het kader van een “interfederale drugsstrategie” om hun bevoegdheden op elkaar af te stemmen. De Wever zelf zei hierover zelf terecht: “ze [de Volksunie, de voorganger van zijn N-VA, B.U.B.] heeft een federalisme in het leven geroepen dat niet functioneert, niet transparant is, duur en inefficiënt is”. (Le Soir, 4 maart 2026).

Het falende drugsbeleid en de nood aan een unitair België

Het resultaat is een stijgend drugsgebruik niet alleen in Antwerpen maar ook in andere steden, met recordaantallen cocaïnegebruik bij jongvolwassenen, een verspreiding van drugscriminaliteit, met het daaraan gekoppelde geweld en ongebreidelde corruptie, intimidatie en een ondermijning van het veiligheidsapparaat. De N-VA kan en zal daar niets aan veranderen. Sterker nog, als we de oplossingen van die separatistische partij zouden implementeren, zal de situatie nog exponentieel verergeren. Het spreekt immers voor zich dat een volledige splitsing van het drugsbeleid de complexiteit nog zal doen toenemen en dat een defederalisering van de Belgische justitie en politie een enorm geschenk zou zijn voor de (zware) criminaliteit die geen lands-, laat staan taalgrenzen kent.

De B.U.B. kiest voor een rationele aanpak inzake criminaliteit in het algemeen en het drugsbeleid in het bijzonder. Die kan er natuurlijk enkel komen door een vereenvoudigd beleid, gekoppeld aan een massale inzet van personeel en middelen in een nieuw unitair België, gedecentraliseerd op basis van de negen provincies. Dat veronderstelt uiteraard een hereniging van de provincie Brabant. 

Onder het nationale niveau zorgen we ervoor dat politiezones en de gerechtelijke arrondissementen samenvallen met de negen provincies. Zo verloopt de inzet van de veiligheidsdiensten veel gestroomlijnder en efficiënter dan vandaag. Overigens omvatten de provincies zowel (groot)steden als het landelijke gebied errond, waardoor de nieuwe veiligheidsarchitectuur op een veel bredere schaal geïmplementeerd kan worden. Grootschalige fusies zijn trouwens al gebeurd. Een kwarteeuw geleden waren er nog 589 politiezones, vandaag is dat aantal gedaald tot 176.

Bovendien fuseerde de huidige regering de zes politiezones binnen het Brussels gewest – waar 1,2 miljoen inwoners wonen -, maar liet ze de versnippering in ongeveer veertig delen voor de rest van de provincie Brabant bestaan. Nochtans wonen daar nauwelijks meer inwoners dan in Brussel (1,6 miljoen). 

Hoe dan ook ligt de sleutel tot de bestrijding van de drugscriminaliteit niet in verder aan te modderen met een halfslachtig beleid zoals dat nu het geval is. De oplossingen die men vandaag aandraagt komen, zeker binnen de verspillende federalistische context, neer op dweilen met de kraan open.  Het is echter de huidige particratie, met de taalnationalisten en de separatisten op kop, die de terugkeer naar een unitair en dus een veilig België onmogelijk maakt. Daarom is een niet-bindend referendum over de Belgische staatsstructuur zoals de B.U.B. dat voorstelt meer dan ooit nodig.

L’EPARPILLEMENT DES COMPETENCES EN BELGIQUE EST UNE CATASTROPHE POUR LA SÉCURITÉ

En 2013, Bart De Wever (N-VA), aujourd’hui Premier ministre belge et à l’époque tout juste devenu bourgmestre d’Anvers, annonçait en grande pompe qu’une « war on drugs » (en néerlandais, une langue à laquelle les flamingants sont traditionnellement peu attachés, un “drugsoorlog”) allait être lancée. Par la suite, cette prétendue lutte fut également étendue au niveau national. Le résultat est toutefois une grande déception.

La politique anversoise: un échec

A Anvers, la N-VA a opté pour une approche extrêmement répressive: tolérance zéro dans la rue, fermeture des établissements liés au trafic de drogue, renforcement de la police locale et demande adressée au gouvernement national d’accroître les moyens consacrés à la Justice et au contrôle du port. Pourtant, le trafic de drogue n’a pas diminué, bien au contraire. Les saisies spectaculaires et médiatiques sont certes plus nombreuses, mais rien n’a changé structurellement. Plus encore, la terreur déjà omniprésente — attaques à la grenade, fusillades, etc. — contre les travailleurs portuaires, la Police et la Justice n’a cessé de s’intensifier.

Que se passe-t-il donc? Tout d’abord, à Anvers, on cible les petits revendeurs de rue, tandis que les grands cartels et les opérations de blanchiment d’argent restent largement hors d’atteinte. Deuxièmement, l’accent est mis exclusivement sur la répression, et non sur la prévention. En outre, la Justice et la Police sont surchargées. Mais, tout aussi important, les moyens nationaux pouvant être mobilisés sont tout simplement insuffisants.

Un manque de moyens nationaux et une politique antidrogue éparpillée

L’argent ne manque pourtant pas en Belgique: il est en abondance, mais il se trouve, en raison de la Loi Spéciale de Financement, bloqué au niveau de communautés et de régions surfinancées, extrêmement coûteuses, superflues, polarisantes, inefficaces et inconstitutionnelles. Ainsi, le budget total de la Police et de la Justice s’élève à environ 5 milliards d’euros par an, alors que les moyens financiers qui circulent chaque année sur le marché belge de la drogue dépassent les 20 milliards d’euros. La majeure partie de cette somme fait partie des flux financiers criminels qui transitent par Anvers. La N-VA n’a nullement inversé cette tendance.

La structure fédérale de l’Etat elle-même entrave également l’efficacité de la politique antidrogue. Celle-ci est en effet répartie entre différents niveaux de pouvoir. Le niveau national est ainsi compétent en matière de répression, de droit pénal et de certaines compétences relatives à la santé publique et aux médicaments. Mais les communautés disposent elles aussi de compétences liées à la politique antidrogue, notamment en matière de prévention, de réinsertion des détenus et de certains aspects des soins de santé mentale. Pour compliquer encore les choses, les régions peuvent également influencer la politique antidrogue par leurs compétences en matière d’urbanisme (par exemple la fermeture d’établissements liés au trafic de drogue), de conditions d’accompagnement sur le marché du travail en rapport avec l’usage problématique de substances, ou encore de campagnes de sensibilisation à la sécurité routière liées à la consommation de drogues.

Et comme il n’existe en Belgique aucune hiérarchie des normes, tous les niveaux de pouvoir doivent constamment négocier dans le cadre d’une « stratégie interfédérale en matière de drogues » afin de coordonner leurs compétences.

De Wever lui-même déclarait à juste titre à ce sujet : « elle [la Volksunie, le prédécesseur de sa N-VA, B.U.B.] a créé un fédéralisme qui ne fonctionne pas, qui n’est ni transparent, ni économique, ni efficace ». (Le Soir, 4 mars 2026).

L’échec de la politique antidrogue et la nécessité d’une Belgique unitaire

Le résultat est une augmentation de la consommation de drogues, non seulement à Anvers mais aussi dans d’autres villes, avec des niveaux records de consommation de cocaïne chez les jeunes adultes, une propagation de la criminalité liée à la drogue, accompagnée de violences, ainsi que d’une corruption débridée, d’intimidations et d’un affaiblissement de l’appareil de sécurité. La N-VA ne peut et ne pourra rien y changer. Plus encore, si nous mettions en œuvre les solutions de ce parti séparatiste, la situation ne ferait que s’aggraver de manière exponentielle. Il va en effet de soi qu’une scission complète de la politique antidrogue ne ferait qu’accroître encore la complexité et qu’une défédéralisation de la Justice et de la Police belges constituerait un immense cadeau pour la criminalité — notamment la criminalité organisée — qui ne connaît pas de frontières nationales, et encore moins de frontières linguistiques.

La B.U.B. préconise une approche rationnelle de la criminalité en général et de la politique antidrogue en particulier. Celle-ci ne peut naturellement voir le jour qu’à travers d’une politique simplifiée, associée à un déploiement massif de personnel et de moyens dans une nouvelle Belgique unitaire, décentralisée sur la base des neuf provinces. Cela suppose évidemment la réunification de la province de Brabant.

Sous le niveau national, nous veillons à ce que les zones de police et les arrondissements judiciaires coïncident avec les neuf provinces. Le déploiement des services de sécurité pourrait ainsi être beaucoup plus fluide et efficace qu’aujourd’hui. Par ailleurs, les provinces comprennent à la fois les (grandes) villes et les zones rurales qui les entourent, ce qui permettrait de mettre en œuvre la nouvelle architecture de sécurité à une échelle beaucoup plus large. Des fusions de grande ampleur ont d’ailleurs déjà eu lieu. Il y a un quart de siècle, la Belgique comptait encore 589 zones de police; aujourd’hui, ce nombre est tombé à 176.

En outre, le gouvernement actuel a fusionné les six zones de police de la Région bruxelloise — qui compte 1,2 million d’habitants —, tout en laissant subsister le morcellement en une quarantaine d’entités pour le reste de la province de Brabant. Pourtant, celles-ci ne comptent guère plus d’habitants que Bruxelles (1,6 million).

Quoi qu’il en soit, la clé de la lutte contre la criminalité liée à la drogue ne réside pas dans la poursuite d’une politique aussi timorée et inefficace que celle menée actuellement. Les solutions avancées aujourd’hui reviennent, surtout dans le contexte fédéraliste dispendieux, à vider la mer avec une passoire. C’est toutefois la particratie actuelle, avec les nationalistes linguistiques et les séparatistes en tête, qui rend impossible le retour à une Belgique unitaire et, partant, plus sûre. C’est pourquoi un référendum consultatif sur la structure de l’État belge, tel que le propose le B.U.B., est plus nécessaire que jamais.

DAS ZERSPLITTERTE BELGIEN IST EINE KATASTROPHE FÜR DIE SICHERHEIT

2013 kündigte Bart De Wever (N-VA), heute belgischer Premierminister und damals gerade erst zum Bürgermeister von Antwerpen gewählt, mit großem Getöse an, dass ein „war on drugs“ (auf Niederländisch, einer Sprache, der die flämischen Nationalisten traditionell wenig abgewinnen, “drugsoorlog”) gestartet werde. Später wurde dieser vermeintliche Kampf auch auf die nationale Ebene ausgeweitet. Das Ergebnis ist jedoch eine große Enttäuschung.

Die gescheiterte Antwerpener Politik

In Antwerpen entschied sich die N-VA für einen äußerst repressiven Ansatz: Nulltoleranz auf der Straße, Schließung von Drogenlokalen, Verstärkung der örtlichen Polizei und die Forderung an die nationale Regierung nach zusätzlichen Mitteln für Justiz und Hafenkontrollen. Dennoch ging der Drogenhandel nicht zurück — im Gegenteil. Zwar werden mehr spektakuläre und medienwirksame Beschlagnahmungen vermeldet, strukturell hat sich jedoch nichts verändert. Mehr noch: Der bereits allgegenwärtige Terror — Granatenanschläge, Schießereien usw. — gegen Hafenarbeiter, Polizei und Justiz nahm weiter zu.

Was geschieht also? Erstens werden in Antwerpen vor allem kleine Straßenhändler ins Visier genommen, während große Kartelle und Geldwäscheoperationen weitgehend unbehelligt bleiben. Zweitens liegt der Schwerpunkt ausschließlich auf Repression und nicht auf Prävention. Darüber hinaus sind Justiz und Polizei überlastet. Aber ebenso wichtig ist: Es können schlicht nicht genügend nationale Mittel eingesetzt werden.

Ein Mangel an nationalen Mitteln und eine zersplitterte Drogenpolitik

An Geld mangelt es in Belgien keineswegs; es ist reichlich vorhanden. Aufgrund des Sonderfinanzierungsgesetzes ist es jedoch bei den überfinanzierten, extrem teuren, überflüssigen, polarisierenden, ineffizienten und verfassungswidrigen Gemeinschaften und Regionen gebunden. Das Gesamtbudget für Polizei und Justiz beläuft sich auf etwa 5 Milliarden Euro pro Jahr, während die finanziellen Mittel, die jährlich auf dem belgischen Drogenmarkt zirkulieren, mehr als 20 Milliarden Euro betragen. Der größte Teil davon ist Bestandteil der kriminellen Geldströme, die über Antwerpen fließen. Die N-VA hat diesen Trend keineswegs umgekehrt.

Auch die föderale Staatsstruktur selbst behindert eine effiziente Drogenpolitik. Diese ist nämlich auf verschiedene Zuständigkeitsebenen verteilt. Die nationale Ebene ist beispielsweise für Repression, Strafrecht und bestimmte Zuständigkeiten im Bereich der öffentlichen Gesundheit und der Medikamente zuständig. Aber auch die Gemeinschaften verfügen über Zuständigkeiten, die mit der Drogenpolitik zusammenhängen, etwa bei der Prävention, der Wiedereingliederung von Strafgefangenen und bestimmten Aspekten der psychischen Gesundheitsversorgung. Um die Sache noch komplizierter zu machen, können auch die Regionen die Drogenpolitik über ihre Zuständigkeiten im Bereich der Raumordnung beeinflussen (z. B. bei der Schließung von Drogenlokalen), über Begleitbedingungen auf dem Arbeitsmarkt im Zusammenhang mit problematischem Substanzkonsum oder durch Sensibilisierungskampagnen zur Verkehrssicherheit im Zusammenhang mit Drogenkonsum.

Und weil es in Belgien keine Normenhierarchie gibt, müssen alle Verwaltungsebenen im Rahmen einer „interföderalen Drogenstrategie“ ständig miteinander verhandeln, um ihre Zuständigkeiten aufeinander abzustimmen. De Wever selbst sagte dazu zu Recht: „Sie [Volksunie, der Vorgänger seiner N-VA, B.U.B.] hat einen Föderalismus ins Leben gerufen, der nicht funktioniert, nicht transparent, teuer und ineffizient ist.“ (Le Soir, 4. März 2026).

Die gescheiterte Drogenpolitik und die Notwendigkeit eines Einheitsstaates Belgien

Das Ergebnis ist ein zunehmender Drogenkonsum nicht nur in Antwerpen, sondern auch in anderen Städten, mit Rekordwerten beim Kokainkonsum unter jungen Erwachsenen, einer Ausbreitung der Drogenkriminalität samt der damit verbundenen Gewalt sowie ungezügelter Korruption, Einschüchterung und einer Unterminierung des Sicherheitsapparats. Die N-VA kann und wird daran nichts ändern. Mehr noch: Wenn wir die Lösungen dieser separatistischen Partei umsetzen würden, würde sich die Lage noch exponentiell verschärfen. Denn es liegt auf der Hand, dass eine vollständige Teilung der Drogenpolitik die Komplexität weiter erhöhen würde und dass eine Spaltung der belgischen Justiz und Polizei ein gewaltiges Geschenk an die (schwere) Kriminalität wäre, die keine Landesgrenzen kennt — geschweige denn Sprachgrenzen.

Die B.U.B. setzt sich für einen rationalen Ansatz bei der Kriminalitätsbekämpfung im Allgemeinen und bei der Drogenpolitik im Besonderen ein. Dieser kann selbstverständlich nur durch eine vereinfachte Politik verwirklicht werden, verbunden mit einem massiven Einsatz von Personal und Mitteln in einem neuen und unitarischen Belgien, der auf der Grundlage der neun Provinzen dezentral organisiert ist. Dies setzt selbstverständlich die Wiedervereinigung der Provinz Brabant voraus.

Unterhalb der nationalen Ebene sollen die Polizeizonen und Gerichtsbezirke mit den neun Provinzen übereinstimmen. Dadurch könnte der Einsatz der Sicherheitsdienste wesentlich reibungsloser und effizienter erfolgen als heute. Außerdem umfassen die Provinzen sowohl (Groß-)Städte als auch die sie umgebenden ländlichen Gebiete, wodurch die neue Sicherheitsarchitektur auf einer wesentlich breiteren Ebene umgesetzt werden könnte. Groß angelegte Fusionen hat es im Übrigen bereits gegeben. Vor einem Vierteljahrhundert gab es noch 589 Polizeizonen; heute sind es 176.

Darüber hinaus hat die derzeitige Regierung die sechs Polizeizonen innerhalb der Region Brüssel — mit 1,2 Millionen Einwohnern — fusioniert, während sie die Aufsplitterung des restlichen Gebiets der Provinz Brabant in etwa vierzig Teile bestehen ließ. Dabei leben dort kaum mehr Menschen als in Brüssel (1,6 Millionen).

Wie dem auch sei: Der Schlüssel zur Bekämpfung der Drogenkriminalität liegt nicht darin, weiterhin mit einer halbherzigen Politik vor sich hin zu wursteln, wie es derzeit der Fall ist. Die heute vorgeschlagenen Lösungen laufen, insbesondere im verschwenderischen föderalistischen Kontext, darauf hinaus, mit offenem Wasserhahn den Boden aufzuwischen. Es ist jedoch die gegenwärtige Partikratie, angeführt von den Sprachnationalisten und Separatisten, die eine Rückkehr zu einem einheitlichen und damit sicheren Belgien unmöglich macht. Deshalb ist ein unverbindliches Referendum über die belgische Staatsstruktur, wie es die B.U.B. vorschlägt, notwendiger denn je.