belgischeunie@unionbelge.be

KRITISCHE BEDENKINGEN BIJ DE NOTA VAN EERSTE MINISTER VERHOFSTADT N.A.V. DE STAATSHERVORMING

KRITISCHE BEDENKINGEN BIJ DE NOTA VAN EERSTE MINISTER VERHOFSTADT N.A.V. DE STAATSHERVORMING

KRITISCHE BEDENKINGEN BIJ DE NOTA VAN EERSTE MINISTER VERHOFSTADT N.A.V. DE STAATSHERVORMING

De nota van Eerste Minister Verhofstadt omtrent de staatshervorming is een lijvig werkstuk geworden dat een objectieve analyse verdient[1]. In zijn bijdrage geeft de Premier zelf aan niet “de pretentie te hebben de waarheid in pacht te hebben”. Vandaar ook dat een open en constructief debat over de staatshervorming de beste weg is om tot een resultaatgerichte oplossing te komen.

1) HOMOGENE BEVOEGDHEDEN

Versnippering over verscheidene beleidsniveaus, zo stelt de Premier terecht, leidt tot een inefficiënt bestuur. In dat kader stelt hij vast dat de volgende principes een goed uitgangspunt vormen: subsidiariteit en homogene bevoegdheidspaketten. Voorts is het zonder meer een correct inzicht dat in een (federale) staat de solidariteit tussen mensen en niet tussen regio’s moet verlopen. Impliciet is dit een afwijzing van het confederalisme, een systeem waarbij de de “solidariteit” onderhandeld wordt, opzegbaar is en gekoppeld wordt aan een resultaatverbintenis[2].

Vraag is echter of (de uitwerking van) al deze principes wenselijk én verzoenbaar zijn. Zo valt allereerst op dat er een bijzonder eenzijdige benadering is van het begrip “subsidiariteit”. In de praktijk komt het erop neer dat de federale Staat verder uitgehold wordt ten voordele van de deelstaten, die verantwoordelijk zouden worden voor (grote) delen van het tewerkstellingsbeleid, van de sociale economie, het gezinsbeleid, van de vestigings- en huurwetgeving alsook mobiliteit, telecommunicatie en justitie. Anderzijds wordt er slechts in drie domeinen – ontwikkelingssamenwerking, de geluidsnormen en delen van de gezondheidszorg – gesproken over herfederaliseringen. Wie het document nader onder de loep neemt, merkt dat het aantal voor te stellen splitsingen méér dan tien keer hoger ligt dan het aantal herfederaliseringen. Dit fundamentele onevenwicht ondergraaft de geloofwaardigheid van het document.

Terecht kan men zich trouwens eveneens afvragen waarom een regionaal tewerkstellingsbeleid, of een gecommunautariseerde justitie zou leiden tot een beter beheer van deze departementen. Het is in feite paradoxaal om bevoegdheden die niets met taal te maken hebben te splitsen op taalbasis. Nochtans overstijgen de grote problemen van onze tijd – de vervuiling, de opwarming van de aarde, de verwoestijning, het gebrek aan schaarse goederen, het internationale terrorisme, de dreiging van nucleaire proliferatie enz. – zich op Europese zo niet op globale schaal. Multinationals fusioneren over lands- en a fortiori over taalgrenzen heen. De democratie dient zich dus aan te passen aan die nieuwe, meertalige dimensies. In dat opzicht getuigt het hele Belgische communautaire gekrakeel van een voorbijgestreefde wereldvisie. Hoe kunnen we ooit de globale problemen aanpakken, wanneer we op een zeer kleine ruimte, in een land met minder dan de helft van het aantal inwoners van Mexico-stad niet eens in staat zijn een coherente, solidaire en moderne staatsvisie te ontwikkelen waarbij eenheid primeert, zonder evenwel afbreuk te doen aan diversiteit?

Ten tweede schort er iets aan de uitwerking van de theorie van de homogene bevoegdheden. Wie, zoals de Premier, dat doet pleit om “aspecten van een beleid” of “aangelegenheden in een domein” over te hevelen naar de deelstaten, gaat namelijk linea recta in tegen het principe van homogene bevoegdheden zelf. Omgekeerd geldt trouwens ook dat wanneer één bevoegdheid geherfederaliseerd wordt, alle verwante materies opnieuw op het federale niveau moeten gebracht worden. Zo is het onlogisch om te pleiten voor een herfederalisering van ontwikkelingssamenwerking, zonder actief te ijveren voor een herfederalisering van buitenlandse handel en van het verdragsrecht.

Een nog fundamenteler bedenking betreft de motivatie voor het splitsen van zaken op taalgebonden basis. Waarom is dit nodig? De Premier kan hiervoor moeilijk inspiratie in zijn liberale ideologie. Enkel door de doctrine van extreme taalnationalisten (Vlaams Belang en N-VA) worden zulke splitsingen gelegitimeerd. Jammer genoeg nemen de democratische – maar taalgesplitste – partijen deze nationalistische redeneringen over met alle gevolgen vandien.

Tenslotte wordt het gehuldigde principe van de interpersoonlijke solidariteit aangetast door de inspraak van de deelstaten in het gezinsbeleid en door de splitsing van het tewerkstellingsbeleid en aanverwante domeinen. Hierdoor wordt minstens een derde van de financiering van de huidige sociale zekerheid gesplitst. De overige 66% situeren zich voornamelijk in het domein van de pensioenen – die bijna geen enkele Vlaamse partij wil splitsen omdat de vergrijzing in het Noorden sneller gaat – en in de gezondheidszorgen[3].

Opmerkenswaardig is tenslotte dat deze voorstellen deels lijnrecht ingaan tegenover wat de Premier zelf in het verkiezingsprogramma van zijn partij liet inschrijven, te weten:

“Logischerwijze wordt de tweede regel dan dat de zogenaamde gezagsdepartementen federaal bestuurd worden. Op het vlak van defensie, politie, justitie of buiten­landse zaken is het duidelijk dat de noden van de burgers over het hele land dezelfde zijn. Het moet dus ook mogelijk zijn dat bevoegdheden die vandaag regionaal zijn terug naar het federale niveau gaan. (…) Het zou hier moeten gaan om bevoegdheden die duidelijk gewestoverschrijdend of van strategisch belang voor gans het land zijn. In aanmerking komt bijvoorbeeld het strategische energiebeleid waarvan het belang steeds meer groeit en wat ook meer en meer op Europees niveau behandeld wordt. Een verdeelde strategie omtrent energie is geen goede zaak omdat het de positie van ons land ernstig verzwakt.”[4]

2) DE AANPASSING VAN DE FINANCIERING

Het luik aangaande de aanpassing van de financiering komt niet aan de heersende noden tegemoet. Zoals bekend kampt de federale Staat met een nijpend geldtekort, daar er bij de voorbije staatshervormingen een pak geld is overgedragen naar de deelstaten, via de financieringswet of onrechtstreeks via fiscale autonomie voor deelgebieden. Zowel de Kabinetschef van de Eerste Minister als gewezen Kamervoorzitter Herman DECROO hebben hier reeds kritische kanttekeningen bij geplaatst[5].

Toch wordt die financieringwet niet herzien. Volgens de Premier is het beter dan aan de financieringwet te sleutelen, te opteren voor een grotere fiscale autonomie voor de gewesten en de gemeenschappen. De federale Staat moet het dus eenvoudigweg stellen met minder middelen en bevoegdheden. Het feit dat de federale financiering in bepaalde deelstaatsdomeinen wordt afgebouwd en dat de overdracht van de bijkomende middelen naar deelstaten wordt beperkt (waardoor dus louter de bevoegheden overgeheveld worden) is, welbeschouwd, slechts een doekje voor het bloeden. Het enige positieve aan dit deel is dat de regio’s eindelijk mee de staatsschuld zouden moeten afbetalen…

Alleszins dringen zich volgende bedenkingen op:

1. Hoe zullen de armere gewesten hun nieuwe en bestaande bevoegheden zonder afdoende middelen uit de fiscale kas beheren?

2. Hoe kan de federale Staat efficiënt functioneren indien zij met het huidige geldtekort blijft zitten, tenzij door grote bevoegdheidsoverdrachten naar de deelstaten (hetgeen wellicht de bedoeling is)?

3. Het overhevelen van grote delen van de personenbelasting, alsook van de vennootschapsbelasting, zorgt ervoor dat de Belgische regio’s – vooral door de splitsing van de vennootschapsbelasting – tegen elkaar uitgespeeld worden. Samen met de splitsing van de arbeidsmarkt zal dit zonder twijfel de concurrentiepositie van de Staat t.o.v. het buitenland verzwakken.

Eerder reeds merkte Minister van Staat Mark EYSKENS zeer terecht op:

Vaak wordt gesteld dat aan gewesten en gemeenschappen een veel grotere fiscale bevoegdheid moet worden toegekend, zodat ze ook verantwoordelijk worden voor de financiering van de uitgaven die zij doen. In dit verband is het erg nuttig na te trekken wat de draagwijdte is van de fiscale autonomie van de deelgebieden in andere federale landen zoals Zwitserland, Duitsland, Canada en de Verenigde Staten. Die federale landen bewijzen door het toekennen van aanzienlijke bevoegdheden op fiscaal gebied en ook op het gebied van de sociale zekerheid dat hun staatkundige eenheid en coherentie niet in het gedrang worden gebracht.

Toch moet België op dit vlak grote voorzichtigheid aan de dag leggen. Het is contraproductief in een land dat een zakdoek groot is en waarin de belangrijkste bedrijven multinationals en interregionaal zijn, uiteenlopende en concurrerende belastingstelsels (niet alleen op het vlak van de vennootschapsbelasting maar ook inzake sociale zekerheidsbijdragen) in te voeren en dat op een ogenblik waarop binnen de Europese Unie juist geijverd wordt voor meer fiscale harmonisatie.”[6]

Overigens zou zelfs de rijkste regio – het Vlaams Gewest – beslist niet welvarender worden van een splitsing van (bijvoorbeeld) de vennootschapsbelasting. Als immers bedrijven uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest delocaliseren naar het Vlaams Gewest, wordt de concurrentiepositie van Brussel ernstig verzwakt. Nochtans genereert het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vandaag rijkdom voor het hele land.

3) DE VERSTERKING VAN DE FEDERALE STAAT

Op het eerste zicht gaat het meest rationele en verdienstelijke deel van de Premier naar zijn lovenswaardig initiatief om de federale Staat te versterken. Dit is een belangrijke trendbreuk met het eenzijdig splitsingsdiscours van de afgelopen decennia. Helaas zijn de resultaten op papier minder goed dan de nobele intenties.

De “congruentiecriteria” zouden een bepaalde ruimte moeten bieden waarbinnen de federale Staat bepaalt tot waar de bevoegdheden van de deelstaten mogen gaan. Op het eerste gezicht lijkt het hier te gaan om een soort decentralisatie, waarbij de federatie een zekere voogdij behoudt op deelstaatsbevoegdheden. Maar in de praktijk gaat het om “minimale maatstaven” die interregionale divergenties moeten vermijden, “zoals dat op Europees vlak gebeurt ten aanzien van de lidstaten”. Als dat het uitgangspunt is kunnen separatisten terecht de vraag stellen waarom onze Premier België nog wil behouden, daar de door hem voorgestelde instrumenten vandaag al op Europees niveau bestaan.

Een aantal goede maatregelen zoals het invoeren van een uniforme toepassing van fiscaliteit en sociale wetgeving over het hele grondgebied of de vertegenwoordiging van de federale staat in sommige gewestelijke maatschappijen wordt meteen weer ongedaan gemaakt door de deelstaten in zowat elke federale instelling medezeggenschap te geven en door het opdrijven van het aantal samenwerkingsakkoorden en de instelling alsook versterking van extraparlementaire overlegcomités[7].

Deze samenwerkingsakkoorden worden gesloten in overlegcomités die niet electoraal sanctioneerbaar zijn. Ze zijn vanuit democratisch oogpunt een bevestiging van de dictatuur van de uitvoerende macht en de kortwieking van de parlementaire controle. Omdat ze niet eens door een deelstatelijk parlement hoeven geratificeerd te worden, hebben ze zelfs minder democratische legitimering dan een akkoord tussen twee onafhankelijke staten. Aangezien zoveel materies gesplitst moeten worden, zal dit aantal akkoorden onderhevig zijn aan een ware inflatie. Het democratisch deficit zal exponentieel toenemen, de sterkte van de centrale staat in dezelfde mate afnemen. Dat een normenhiërarchie afwezig is, draagt hier natuurlijk in belangrijke mate toe bij.

Tenslotte is het meest verdienstelijke voorstel in dit hoofdstuk de invoering van een federale kieskring, zonder vooraf het aantal parlementairen op taalbasis vast te leggen. Het aantal ligt weliswaar te laag (ca. 30), maar het gaat de goede richting uit. Maar zelfs hier is, helaas, een “communautaire” compensatie die ligt in de zeer nefaste en zelfs staatsbedreigende hervorming van ons bicameralisme.

4) DE HERVORMING VAN HET BICAMERALISME

Eén van de allerzwakste delen van het betoog van de Premier situeert zich inderdaad in de voorgestelde hervorming van het bicameralisme. Verkeerdelijk werd die in sommige media afgeschilderd als een versterking van de federale Staat.

Concreet komt het erop neer dat de huidige Senaat vervangen wordt door een onrechtstreeks verkozen paritaire Kamer van Deelstaten, die o.a. bevoegdheid heeft in grondwetsherzieningen en in bijzondere wetten. Deze maatregel moet om verscheidene redenen worden afgewezen:

1) Het feit dat de Senaat niet meer rechtstreeks verkiesbaar is – de Senatoren worden aangeduid door de deelstaatsparlementen –, is een aanfluiting van de democratie en brengt ons terug naar een getrapt kiessysteem dat dateert uit het tijdperk van voor de Franse Revolutie.

2) De deelstaten worden niet eens gelijk vertegenwoordigd. De Franstalige Senatoren worden oververtegenwoordigd, de Duitstaligen moeten het stellen met één enkele Senator. Kortom, de samenstelling zelf van deze Assemblée vloekt met zijn eigen logica.

3) Een paritaire Senaat zal uiterst polariserend werken, daar de Senatoren de facto enkel “Vlaanderen” en “Wallonië” (met een vleugje Brussel en snufje Duitstalig België) zullen vertegenwoordigen. Nieuwe communautaire conflicten staan dus in de sterren geschreven…

4) De deelstaten worden rechtstreeks betrokken bij het grondwetgevend werk. Dit is uiterst cruciaal, omdat het op die manier onwaarschijnlijk lijkt dat in de toekomst nog maar één materie opnieuw geherfederaliseerd wordt. Elke gemeenschap beschikt in een bipolaire Senaat over een feitelijk vetorecht om een mogelijke afkalving van zijn macht tegen te gaan.

5) Het goedwerkende systeem van dubbele deliberatie, dat ons land sedert 1831 kent, en zorgt voor een grondiger reflectie over de wetten en de werking van onze instellingen wordt vervangen door een verkapt monocameralisme.

Een mogelijkheid om de federale Staat te versterken wordt hier overigens gemist door een géén federale kieskring in te voeren in de Senaat. Dat zou het autonomisme tenminste getemperd hebben.

5) DE FUNCTIE VAN BRUSSEL, DE PROBLEMEN IN DE RAND EN ART. 195

Terecht wijst de Premier op de enorme troeven van onze hoofdstad in Europese en zelfs globale context. Helaas zijn de conclusies die hij hieruit trekt uiterst wollig en kunnen ze perfect binnen het huidige institutionele kader plaatsvinden. Om een “nieuwe samenwerking” tussen de drie Gewesten op te zetten, teneinde Brussel internationaal te promoten dient men de BWHI niet te wijzigen.

Het volstaat, om zoals de Premier zelf aangeeft, een (vrijblijvend) samenwerkingsakkoord te sluiten. Het “stadsgewest” Brussel, volgens Verhofstadt een vernieuwend idee bestaat voorts al sedert 1980…

Ondertussen wordt door de beoogde splitsing van het kies- en gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde het Brussels Gewest losgemaakt uit Vlaanderen en niemand binnen de Vlaamse Beweging schijnt daarom te malen, integendeel. Ironisch genoeg gaan er door deze “Vlaamsgezinde” maatregel ook àlle zetels voor Brusselse Vlamingen verloren[8].

De Franse Gemeenschap mag dan wel gemeenschapsgebonden activiteiten organiseren in de zes randgemeenten, maar enkel door een samenwerkingsakkoord met de Vlaamse Gemeenschap. Wat hier vernieuwend aan is, is een waar mysterie. Wel is het zo dat een deel van de splitsing gecompenseerd wordt door het instellen van een federale kieskring.

Het grootste bezwaar tegen een splitsing van dit meertalig arrondissement is echter het feit dat dit in wezen een zeer nationalistische staatsvisie verraadt, waarbij deelgebieden moeten congrueren met taalgebieden. Anderzijds wordt alweer verzuimd om de federale overheid een actieve politiek van individuele meertaligheid te laten voeren in het onderwijs.

Waarom wordt er niet één provincie Brabant heropgericht (met behoud van de taalgrens)? Dat zou in één klap het non-probleem B-H-V oplossen én bovendien de schadelijke Belgische bipolariteit echt doorbroken. Bovendien wordt met deze elegante oplossing Brussel niet eens uitgebreid, waardoor de vrees voor de Brusselse “olievlek” voorgoed van de baan is. Overigens was niemand minder dan de opvolger van Verhofstadt in de Senaat, de Heer Roland Duchâtelet dit idee genegen.

De Ratificatie van het Minderhedenverdrag biedt enorme mogelijkheden. Zo zou men ondermeer twee- of meertalige media kunnen oprichten naar het voorbeeld van Euronews en Arte. Eveneens zouden tweetalige scholen kunnen worden gesticht. Maar de Premier wil het Minderhedenverdrag louter ratificeren om “enkel de Duitstaligen woonachtig in de Duitstalige Gemeenschap en de gemeenten uit het Malmedyse als nationale minderheid te definiëren”. Het akkoord hiervoor moeten bovendien surrealistisch genoeg niet door de federale Staat worden afgesloten, maar door de “twee grote gemeenschappen” die volledig geen zeggingschap hebben voor wat de Duitstalige Gemeenschap betreft. In deze details verraadt zich de fundamenteel dualistische visie op België van het document.

Tenslotte is één van de meest hallucinante – en over het hoofd geziene passages – de ter herziening verklaring van art. 195 van de Grondwet. Vandaag is voorzien dat een grondwetsherziening slechts mogelijk is nadat de federale wetgevende macht een lijst van grondwetsartikelen heeft aangeduid die voor herziening in aanmerking komen. Zodoende beslist de kiezer uiteindelijk over de wenselijkheid van deze herziening. Zelfs dat is natuurlijk verre van voldoende, maar gezien het ontbreken van bindende referenda over de toekomst van de Staat toch het minimum minorum. In dat verband merkt de Premier echter op:

“Ook kan er niet om de vaststelling heen dat de verplichte raadpleging van het kiezerskorps tot een fictie is verworden, omdat de bij de herziening te volgen richting, voor zover die er al zou zijn, zelden de reële inzet van de verkiezingen is.”

Nochtans is de staatshervorming méér dan een halfjaar de inzet van de formatie en de taak van de interrimregering alsook van de definitieve regering. Het getuigt toch van een elementair respect voor het kiezerscorps om hiermee rekening te houden. Of is de Grondwet dan toch een vodje papier dat louter afhangt van de dagelijks wisselende politieke grillen van zij die geacht worden ons te vertegenwoordigen?

BESLUIT

Het België zoals de Premier voor ogen heeft, zal allerminst een versterkte federatie zijn. De vele bevoegdheidsverschuivingen naar de deelstaten doen het zwaartepunt van de beslissingen overduidelijk naar daar verschuiven. De federale Staat blijft eigenlijk exclusief bevoegd voor defensie, justitie, politie en politie en de munt. Van die bevoegdheden zijn de eerste en de laatste al (in grote mate) Europees. Ook enkele restbevoegdheden zouden nog federaal blijven, in afwachting van de uitvoering van art. 35 van de GW (waarnaar de Eerste Minister verwijst).

De convergentiecriteria maken het overigens mogelijk om nog méér bevoegdheden te splitsen onder het voorwendsel dat er een “federale harmonisering” is, quod non (of althans bijzonder ontoereikend). Het resultaat van de willekeurige splitsingen zal trouwens zijn dat er nog méér voedingsbodem wordt gegeven aan nieuwe defederaliseringen, onder het mom van homogene bevoegdheidspaketten. Ook het feit dat de federale Staat nauwelijks nog geld overhoudt zal een belangrijk motief zijn om verdere splitsingen te “verantwoorden”…

Zodoende wordt het sociaal-economisch weefsel ontrafeld waardoor de bestaande verschillen tussen de gewesten nog méér vergroot worden, i.p.v. dat er een werkelijke eenmaking en een eenduidig alsook coherent beleid plaatsvindt, wat toch de wens is van de Eerste Minister. Overigens is sociaal-economische harmonisering één van de basisdoelstellingen van de EU (art. 2 Verdrag van Rome), waardoor het volledig absurd wordt om binnen een lidstaat nog meer bevoegdheden op te splitsen. In Europees kader is de Belgische stem nu al vaak de optelsom van de regio’s. Komen die niet tot een akkoord, dan moet België zich onthouden. Dit gegeven zal natuurlijk aanzienlijk toenemen indien nog meer bevoegdheden overgeheveld worden.

Overigens bestaan er in Europa honderden constitutionele regio’s. Het valt nog te bezien of de Europese besluitvorming vereenvoudigd zal worden als die naar “Belgisch voorbeeld” allemaal semi-onafhankelijk – laat staan volledig onafhankelijk – worden.

Onder meer door het splitsen van delen van bevoegdheden, zoals in het tewerkstellingsbeleid, onder het mom van “subsidiariteit” zal deze “definitieve” staatshervorming ongetwijfeld nieuwe revendicaties opwekken, waardoor deels gesplitste bevoegdheden in de toekomst nog verder uitgehold worden. We merken hierbij even op dat het tewerkstellingsbeleid in Duitsland volledig federaal is, ofschoon de verschillen tussen de oud-BRD en de ex-DDR minstens even groot, zoniet groter zijn dan die tussen de Belgische gewesten.

De hervorming van het bicameralisme systeem illustreert zeer goed de versterkte bipolariteit van het nieuwe België. De facto blijft op institutioneel vlak de Kamer van Volksvertegenwoordigers bevoegd om … zijn eigen bevoegdheden af te staan. De invoering van een federale kieskring en samenvallende verkiezingen (op zich goede maatregelen) dienen in dat opzicht als pleisters op een houten been beschouwd te worden. De hervorming van art. 195 van de Grondwet is zelfs ronduit gevaarlijk. Het zou integendeel moeilijker moeten worden om, eens een definitieve staatshervorming bereikt is, de Grondwet nog te wijzigen. Men kan hierbij denken aan het invoeren van een 3/4de meerderheid.

Samenvattend kan men dit nieuwe België het beste voorstellen als een soort confederatie sua generis[9]. De bestaande deelstaten worden omgevormd tot lidstaten van een hybride statenbond die wederzijdse betrekkingen onderhouden via versterkt diplomatiek overleg en hebben via de Senaat én via de vereiste gekwalificeerde meerderheden die thans al bestaan in de Kamer een versterkt vetorecht.

Nochtans zou een écht toekomstgerichte visie op België rekening moeten houden met een vereenvoudiging en – op termijn met – een ontdubbeling van de instellingen.

In een eerste fase is het zodoende absoluut noodzakelijk om:

1) De deelstaten onder voogdij of tenminste onder versterkte controle van de federale Staat te plaatsen, door het vervangen van de voorgestelde convergentiecriteria door echte bindende kaderwetten.

2) Het invoeren van een normenhiërarchie, die overigens in elke federale Staat bestaat. Het lijkt ook nuttig en wenselijk artikel 35 van de Grondwet in te vullen, maar dan wel in een herziene vorm. Enerzijds moet men de exclusieve bevoegdheden van de federale Staat af te bakenen, maar ook die van de deelstaten opsommen. Hierbij moet ook duidelijk vermeld worden wat de taak van de provincies is (vandaag staat dit in artikel 162 van de Grondwet, zonder evenwel de provinciale bevoegdheden te omschrijven).

3) Het herfederaliseren van grote bevoegdheidspaketten die in élke federale Staat federaal zijn, denken we maar aan het tewerkstellingsbeleid, aan landbouw, sport, toerisme, openbare werken en aan alles wat met buitenlandse betrekkingen te maken heeft.

4) Een federale kieskring in te voeren, zoals voorgesteld door de Premier net als andere federerende maatregelen (het oprichten van meertalig onderwijs, van meertalige media enz.). Deze kieskring wordt best ingevoerd in de Senaat, zodoende dat deze (ook) bevoegdheids- en belangenconflicten kan beslechten.

5) De gemeente- en de provinciewet herfederaliseren, zodat de Staat kan decentraliseren naar de entiteiten die zij wenst, waarbij Brabant voor de goede orde herenigd wordt

Uiteindelijk moet het mogelijk zijn om alle kunstmatige schuttingen tussen de burger en de Staat op te heffen. De Staat moet ten dienste van de burger staan en het moet derhalve zoveel mogelijk vermeden worden dat nutteloze en irrationale, polariserende taalstructuren (de gemeenschappen –behoudens voor wat cultuur betreft – en de gewesten) het land en zijn bevolking schaden.

Zodoende lijkt het allesbehalve onredelijk om op (middellange) termijn het huidige tweeledige België te vervangen door een meerpolige unie van provincies, een systeem dat in Nederland, in al onze buurlanden en in àlle (meertalige) federale staten ter wereld bestaat. Inspiratie voor een werkbaar model kan gezocht worden in de eigen, nationale traditie maar ook bij andere federale Staten. De eerste Grondwetsherziening van 1970 – overigens ook de beste, om niet te zeggen de enige goede – zou hiervoor een nuttig uitgangspunt kunnen vormen.

[1] Zie G. VERHOFSTADT “Verslag aan Koning Albert II over de hervorming van de instellingen in het kader van mijn informatie- en formatieopdracht”.

[2] Onder het Manifest van de Denkgroep In de Warande bevatte zulk een pleidooi (Brussel, 2005).

[3] “Geen enkele” dient zeer letterlijk genomen te worden : slecht het V.B. en de N-VA willen deze materie overhevelen naar de deelstaten.

[4] De weg naar een open dialoog, aanzet voor een nieuwe staatshervorming, document studiedag OPEN VLD, februari 2007, p. 7.

[5] H. DECROO, « Federale badkuip loopt leeg» in De Standaard van 29.11.2007.

[6] M. EYSKENS, « Stop het consumptiefederalisme » in De Standaard van 8.08.2007.

[7] Het is trouwens niet duidelijk waarom de deelstaten inspraak moeten krijgen in een exclusief federale instelling, zoals de NMBS.

[8] Studie uitgevoerd door VUB (bron : VRT 14.06.07)

[9] In zoverre dat vandaag al niet het geval is.